Europees Hof voor de Rechten van de Mens
5560/19
(K.I. t. Frankrijk) Schending artikel 3, procedurele vlak (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandelingen) – uitwijzing naar Rusland na beëindiging vluchtelingenstatuut na veroordeling wegens terrorisme – Behouden hoedanigheid vluchteling na beëindiging statuut – onvoldoend ex-nunc onderzoek van het non-refoulement beginsel ten aanzien van de bewaring van de hoedanigheid van vluchteling – behoren tot geviseerde groep door Russische autoriteiten

In deze zaak wordt Frankrijk veroordeeld omdat de nationale rechters niet voldoende rekening hebben gehouden met het behouden van de hoedanigheid van vluchteling van een Tsjetsjeense man bij het onderzoek van zijn uitwijzing naar Rusland na de beëindiging van zijn vluchtelingenstatuut als gevolg van zijn veroordeling wegens terrorisme.  

 

Feiten: uitwijzing naar Rusland van Tsjetsjeense man met hoedanigheid (maar geen statuut) vluchteling

 

De verzoeker is een Tsjetsjeense man, zoon van een Tsjetsjeense strijder gedood in de oorlog in de jaren 90. Na zijn vlucht in 2011 is hij als vluchteling in januari 2013 erkend in Frankrijk. Pas na zijn erkenning, is hij naar Syrië gereisd met een extern Russisch paspoort. In april 2015 wordt hij tot 5 jaar cel veroordeeld wegens voorbereiding van een terroristische daad, onder meer door zijn verblijf van 5 tot 6 weken in 2013 in een strijdzone in Syrië. In juni 2015, na een kort videogesprek met de gedetineerde verzoeker, beslist de OFPRA (Franse homoloog van het CGVS) zijn statuut van vluchteling te beëindigen. Deze beslissing wordt in januari 2019 bevestigt door het Cour nationale du droit d’asile (Franse homoloog van de RVV in asielzaken). Er wordt ook een uitwijzingsbeslissing naar Rusland genomen. In 2017 vernietigt een administratieve rechtbank de beslissing om Rusland als bestemmingsland te bepalen. Toch wordt de verzoeker in januari 2019 aangehouden en in de afdeling “terrorisme” van het gesloten centrum dichtbij de luchthaven van Rijsel opgesloten met het oog op verwijdering.

 

Interne procedure en discussie over de toepassing van voorlopige maatregel (“Rule 39”)

 

Op 25 januari vraagt de verzoeker dat het EHRM de Franse autoriteiten verzoekt om hem niet uit te wijzen totdat zijn zaak ten gronde wordt onderzocht als voorlopige maatregel in toepassing van artikel 39 van het procedurereglement, wat de permanentierechter van het EHRM tijdelijk toekent. Drie dagen later, wordt hij aangehouden. Volgens de Franse regering is het verzoek van K.I. voorbarig omdat er nog geen beslissing tot bepaling van het bestemmingsland is genomen. Volgens de verzoeker moet zijn verwijdering wel gepland zijn omdat zijn opsluiting volgens het Franse asiel en migratiewetboek enkel toelaatbaar is  “alleen voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor het vertrek”. Zijn opsluiting wordt door het gerecht met 28 dagen verlengd. Op 4 februari 2019 beslist de permanentierechter van het EHRM de maatregel op te heffen als voorbarig. Op 25 februari wordt een nieuwe beslissing genomen dat Rusland als bestemmingsland bepaalt. Op 27 februari beveelt de permanentierechter op vraag van verzoeker opnieuw de voorlopige maatregel toe te passen en dit tot 8 maart.  Op 1 maart verwerpt de rechter in kort geding het beroep tegen de beslissing van 25 februari: de dringendheidsvoorwaarde zou niet vervuld zijn omdat geen uitwijzing voor 8 maart kan plaatsvinden door de voorlopige maatregel opgelegd door het EHRM. Op 5 maart antwoordt de Franse regering op vraag van de permanentierechter van het EHRM dat de voorlopige maatregel voorbarig is omdat de Russische consulaat nog geen toestemming tot de overname van de verzoeker hadden gegeven. Op 7 maart, krijgt verzoeker een e-mail van een kennis waaruit blijkt dat familieleden over hem in het politiecommissariaat van Grozny door leden van de FSB (Russische federale veiligheidsdienst) werden ondervraagd. Op 8 maart beslist de rechter van permanentie van het EHRM om de voorlopige maatregel te verlengen tot het onderzoek van de zaak ten gronde. Op 16 mei 2019 verwerpt de administratieve rechtbank van Rijsel het beroep tegen het besluit van 25 februari dat Rusland als bestemmingsland bepaalt. In mei 2020, wordt de opsluiting van verzoeker vervangen door een huisarrest: hij moet zich drie keer per dag bij het politiekantoor aanmelden. In juli 2020 verklaart de Raad van State zijn cassatieberoep tegen de beslissing van de CNDA onontvankelijk: de verzoeker heeft wel de hoedanigheid van vluchteling behouden, zonder dat er nood is om de beslissing te vernietigen.      

 

Het EHRM vindt het in deze zaak nodig om te herhalen dat de voorlopige maatregelen een cruciale rol spelen om het EHRM in staat te stellen zijn arrest te wijzen na een doeltreffend onderzoek van de grief. De voorlopige maatregelen die de Staat dient te nemen op grond van feiten die weliswaar a priori de toepassing van dergelijke maatregelen vereisen beletten niet dat die maatregelen nadien in die mate betwist kunnen worden dat de gegrondheid ervan in twijfel wordt getrokken (§115-116).

 

Schending art. 3 EVRM: onvoldoende rekening gehouden met het behouden van de hoedanigheid van vluchteling

 

Het EHRM herhaalt het principearrest van het Hof van Justitie[1]: bij beëindiging van het vluchtelingstatuut op basis van redenen die niet onder het Verdrag van Genève maar wel onder artikel 14 van de procedurerichtlijn vallen (bv. veroordelingen wegens terrorisme in het EU Staat) behoudt de betrokkene de hoedanigheid van vluchteling. Dit betekent dat het non-refoulementbeginsel volledig van toepassing blijft en dat de persoon nog geniet van alle rechten van het Verdrag van Genève die niet afhangen van een regulier verblijf in de betreffende Staat. Er wordt opgemerkt dat het EHRM zich nog niet heeft gebogen over het onderscheid tussen de hoedanigheid en het statuut van vluchteling gemaakt in het EU en in het nationaal recht (§123). Het EHRM neemt hier geen principieel standpunt in en beperkt zich tot zijn rechtpraak te herhalen. Het EVRM beschermt het asielrecht as such niet maar de bescherming geboden door artikel 3 EVRM omvat het verbod tot refoulement in de zin van het Verdrag van Genève.

 

Uit relevante landeninformatie waaronder een Cedoca rapport van het CGVS, blijkt dat bepaalde categorieën van de bevolking van de noordelijke Kaukasus, en meer in het bijzonder van Tsjetsjenië, Ingoesjetië en Dagestan, bijzonder bedreigd kunnen worden, zoals leden van de gewapende strijd van het Tsjetsjeense verzet, en personen die door de autoriteiten als zodanig worden beschouwd, hun verwanten, personen die hen op enigerlei wijze hebben bijgestaan, burgers die door de autoriteiten gedwongen worden met hen samen te werken, en personen die verdacht worden van of veroordeeld zijn voor terroristische misdrijven. Voor de eerste keer moet het EHRM zich buigen over een risico ingeroepen door een Tsjetsjeense verzoeker op basis van een strafrechtelijke veroordeling wegens terrorisme in de verwerende Staat (§ 129). Het EHRM lijkt de beweringen van de verzoeker i.v.m. de mogelijkheid dat de Russische autoriteiten hem zouden viseren of vervolgen bij terugkeer als zwak te beschouwen. Ze vindt het nodig om te besluiten dat verzoeker niet kan worden aangemerkt als "kwetsbaar" in de zin van de verdeling van de bewijslast in zaken betreffende artikel 3 van het EVRM, zodat hem dan het voordeel van de twijfel niet had moeten worden gegeven. Dit onder meer omdat hij met een Russisch paspoort heeft gereisd en dat zijn medeplichtige in Syrië probleemloos naar Rusland heeft kunnen terugkeren. Maar er wordt sowieso geen beoordeling gemaakt over het materiële aspect van artikel 3. Het EHRM beslist niet of de uitwijzing van verzoeker naar Rusland al dan niet artikel 3 zou schenden.

 

Het EHRM beperkt zijn analyse tot het procedurele vlak van deze bepaling. Het EHRM benadrukt dat het behouden van de hoedanigheid van vluchteling een element is waarmee de nationale autoriteiten in het bijzonder rekening moeten houden bij het onderzoek van de realiteit van het risico dat hij beweert te lopen in geval van uitwijzing (§ 144). In casu kwam dit element nooit aan bod in het onderzoek van de verwijderingsbeslissing van de verzoeker door de Franse rechters. Zonder de toepassing van de voorlopige maatregel opgelegd aan Frankrijk door het EHRM op basis van de “Rule 39”, kon hij uitgewezen worden zonder dat dat belangrijk element ooit was onderzocht. Het EHRM sluit niet uit dat de Franse gerechtelijke autoriteiten tot dezelfde conclusie kunnen komen na een dergelijk onderzoek, dus dat het risico onbestaande zou zijn. Toch stelt het EHRM vast dat de CNDA in vergelijkbare zaken een negatief advies over de uitwijzing naar het herkomstland had geleverd, precies omdat de betrokkenen na het verlies van hun statuut wel hun hoedanigheid van vluchteling hadden behouden. Dit gebeurde ook in de zaak van een Tsjetsjeen met een vergelijkbaar profiel als dat van de verzoeker (§ 145). Het EHRM komt tot de conclusie dat Frankrijk het procedurele aspect van artikel 3 zou schenden indien verzoeker naar Rusland zou worden uitgewezen zonder dat de Franse autoriteiten ex nunc het risico hebben beoordeeld dat hij zou lopen indien het verwijderingsbevel ten uitvoer werd gelegd.

 

De voorlopige maatregel op basis van de “Rule 39” wordt verlengd totdat het arrest definitief wordt of indien het EHRM een andere beslissing neemt. De verzoeker krijgt geen schadevergoeding toegekend.




[1] HvJ (GK), M t. Ministerstvo vnitra en X en X t. CGVS (14 mei 2019, C‑391/16, C‑77/17 et C‑78/17).