Europees Hof voor de Rechten van de Mens
4633/15
(G.B. e.a. tegen Turkije) Schending art. 3 EVRM (Verbod van onmenselijke of vernederende behandeling) – Schending art. 5 EVRM (Recht op vrijheid en veiligheid), Schending art. 13 EVRM (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) - moeder en jonge kinderen - kwetsbaarheid – VN-kinderrechtenverdrag

Het EHRM veroordeelt Turkije voor een schending van artikel 3 EVRM, artikel 13 en artikel 5 §§1 en 4 EVRM. In deze zaak hield Turkije een moeder en haar drie jonge kinderen vast in afwachting van hun verwijdering. Ze werden opgesloten in overvolle slaapzalen, mochten zelden naar buiten, waren voortdurend blootgesteld aan sigarettenrook van andere gedetineerden, en er was geen geschikt voedsel voor de kinderen. Dergelijke omstandigheden waren duidelijk ongunstig, zelfs voor volwassenen. Het EHRM was ook van mening dat, hoewel er sinds 2014 een nieuwe wet van kracht was die het volledige wettelijk kader inzake migratie en asiel in Turkije heeft herzien, het voor de verzoekers ondoeltreffend was om de voorwaarden of de rechtmatigheid van hun detentie aan te vechten. Elk van de kinderen kreeg 20.000 euro morele schadevergoeding toegekend.

 

Feiten

 

Verzoekers, een moeder en haar drie kinderen, hebben de Russische nationaliteit en zijn geboren in respectievelijk 1986, 2008, 2012, en 2013. Volgens de laatste informatie wonen ze in Baku, Azerbeidzjan. Op 17 oktober 2014 kwamen ze in Turkije aan. Volgens de officiële rapporten werden ze gearresteerd, toen ze illegaal de grens met Syrië probeerden over te steken. In afwachting van hun uitzetting werd de hele familie overgebracht naar het Kumkapı verwijderingscentrum voor vreemdelingen in Istanbul. Daar verbleven ze drie maanden alvorens ze op 23 januari 2015 worden overgebracht naar het Gaziantep Verwijderingscentrum voor Vreemdelingen.

 

De verzoekers hebben de rechtmatigheid van hun detentie in beide centra aangevochten en om de vrijlating verzocht. Zij benadrukten dat de omstandigheden in de centra bijzonder ongeschikt zijn voor jonge kinderen en dat de autoriteiten geen alternatieven voor detentie hadden overwogen, ondanks hun kwetsbare situatie. De rechtbank van Istanbul heeft hun verzoeken met betrekking tot hun detentie in Kumkapı onderzocht. In een eerste beslissing van november 2014 besloot de rechtbank dat het zich niet kon uitspreken over de rechtmatigheid van de detentie van de kinderen, omdat er over hun detentie geen beslissing is genomen. De rechtbank vond verder dat de detentie van hun moeder rechtmatig was, omdat ze een gevaar vormde voor de openbare veiligheid en had geprobeerd Turkije illegaal te verlaten. In vier opeenvolgende besluiten, verklaarde de rechtbank de detentie van de moeder eveneens rechtmatig, onder verwijzing naar de relevante wettelijke bepalingen.

 

De rechtbank van Gaziantep heeft daarentegen in een besluit van 5 februari 2015 geconcludeerd dat de detentie van verzoekers in Gaziantep niet in overeenstemming was met de wet en heeft hun vrijlating heeft bevolen. De rechtbank vond in het bijzonder dat er geen verklaring was gegeven voor het feit dat hun detentie werd geëist en dat er nog steeds een asielaanvraag liep voor de administratieve rechtbanken. Ze werden vijf dagen later vrijgelaten.

 

Op 15 december 2014 hadden verzoekers, terwijl zij nog steeds in Kumkapı werden vastgehouden, ook een individueel verzoek ingediend bij het Grondwettelijk Hof over de voorwaarden en de onrechtmatigheid van hun detentie en het feit dat ze die niet konden aanvechten onder de nationale wetgeving. Op 9 januari 2015 heeft het Grondwettelijk Hof hun verzoek om dringende maatregelen afgewezen, waarbij het oordeelde dat de omstandigheden van hun detentie geen onmiddellijk en ernstig risico voor hun leven inhielden of hun fysieke of mentale integriteit aantasten. Het Grondwettelijk Hof heeft de zaak vervolgens in mei 2018 niet-ontvankelijk verklaard, gezien de verzoekers intussen werden vrijgelaten, en dat zij een procedure konden opstarten om een schadevergoeding te bekomen.

 

Schending artikel 3 EVRM omwille van de detentieomstandigheden

 

Het EHRM merkt op dat de verslagen van het CPT (Europees Comité inzake de voorkoming van foltering) en het Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens van Turkije de beweringen van de verzoekers over hun detentieomstandigheden in het Kumkapı detetiecentrum bevestigt.  De regering had daarentegen geen bewijs geleverd die de beweringen van verzoekers weerleggen. Zij heeft niet aangetoond dat verzoekers in een afzonderlijke woonruimte voor gezinnen met toegang tot een speeltuin zijn ondergebracht. Ze hebben de beschuldigingen niet weerlegd dat de familie zelden naar buiten mocht voor frisse lucht, voortdurend was blootgesteld aan sigarettenrook van andere gedetineerden en geen voedsel gekregen had dat geschikt was voor kinderen. De beperkte informatie die de regering had verstrekt, zoals de grootte van de slaapzalen en het aantal stapelbedden in elk van de slaapzalen, is voor het EHRM voldoende om alarmerende conclusies te kunnen trekken over het ernstige gebrek aan persoonlijke ruimte in Kumkapı.

 

Het EHRM is van oordeel dat de omstandigheden van de detentie van verzoekers in Kumkapı, gedurende drie maanden zonder te weten wanneer ze precies zouden worden vrijgelaten, hen in een situatie hadden gebracht die het onvermijdelijke niveau van lijden dat inherent is aan detentie heeft overschreden en de drempel van de ernst heeft bereikt om onder het toepassingsgebied van artikel 3 EVRM te vallen. Het EHRM benadrukt dat het reeds had vastgesteld dat dergelijke omstandigheden zelfs voor volwassenen duidelijk nadelig waren. Een dergelijke situatie was dus bijzonder ongeschikt voor de uiterst kwetsbare aanvrager, met name kinderen en was volledig in strijd met de alom erkende internationale principes over de bescherming van kinderen.

 

De regering had ook niet voldoende bewijs geleverd om de beschuldigingen met betrekking tot het Gaziantep detentiecentrum te weerleggen. Het was niet duidelijk uit het bewijs dat de regering had  ingediend, namelijk foto's van een aantal van de kamers daar, of de verzoekers daadwerkelijk in die kamers verbleven en zo ja, met hoeveel mensen. De foto's hadden zelfs gesuggereerd dat de kinderen in stapelbedden moesten slapen met een ijzeren frame met scherpe randen, die gevaarlijk kunnen zijn voor kinderen van hun leeftijd. Er was geen speelruimte voorzien.

 

Het EHRM concludeerde daarom dat er sprake was van een schending van artikel 3 wat zowel wat betreft de omstandigheden van het detentiecentrum van Kumkapı als van Gaziantep.

 

Schending artikel 13 EVRM wegens gebrek aan rechtsmiddel om de detentieomstandigheden aan te vechten

 

Het EHRM stelde onder meer vast dat het Grondwettelijk Hof de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de klacht niet had onderzocht terwijl de verzoekers nog in detentie zaten. Een zuiver compenserend beroepsmiddel na de vrijlating is geen voldoende rechtsmiddel tegen de klachten van de verzoekers. Bovendien moet er in het geval van detentie van kinderen juridisch sneller kunnen opgetreden worden.

 

Het EHRM stelt dan ook vast dat hoewel de individuele procedure voor het Grondwettelijk Hof in principe de mogelijkheid van verhaal had geboden, het niet voldoende had gefunctioneerd voor de verzoeker. De regering had destijds ook geen andere oplossingen voorgesteld die snel hadden kunnen worden toegepast om een einde te maken aan de voortdurende schending van de rechten van verzoekers uit hoofde van artikel 3 EVRM.

 

Het EHRM wijst er ook op dat, hoewel in 2014 een nieuwe wet (wet nr. 6548) in werking is getreden, die het wettelijk kader inzake migratie en asiel in Turkije volledig had herzien, noch de wet, noch de maatregelen ter uitvoering daarvan specifieke rechtsmiddelen hadden voorzien voor klachten over de omstandigheden van de detentie. Er is dus sprake van een schending van artikel 13 juncto artikel 3 EVRM wat betreft de het ontbreken van doeltreffende rechtsmiddelen voor de verzoekers om een klacht in te dienen over de omstandigheden van de detentie in het land. Gezien deze vaststelling oordeelt het EHRM dat de klachten van de verzoekers ten aanzien van het Gaziantep centrum niet afzonderlijk moeten worden beoordeeld.

 

Schending artikel 5 §§ 1 en 4

 

Het staat niet ter discussie dat de verzoekende kinderen vanaf 18 oktober 2014 tot 10 februari 2015 van hun vrijheid zijn beroofd. Het enige aanhoudingsbevel dat tegen hen werd uitgevaardigd was op 23 januari 2015 na hun overplaatsing van Istanbul naar Gaziantep. De andere aanhoudingsbevelen betrof alleen hun moeder zonder de kinderen te  vermelden. Het EHRM is bijgevolg van oordeel dat de kinderen niet werden vastgehouden overeenkomstig de wettelijk bepalingen, wat strijdig is met artikel 5, lid 1 EVRM.

 

Het EHRM onderzocht vervolgens het gerechtelijk mechanisme waarvan de verzoekers gebruik konden maken om de rechtmatigheid van hun detentie te laten beoordelen. Het EHRM stelt daarbij dat dringende procedures vereist waren omdat het om zeer kwetsbare profielen ging. De kinderen bevonden zich echter drie maanden in een legal limbo aangezien de rechter zich enkel uitsprak over de detentie van hun moeder. Bovendien werd de detentiebeslissing van de moeder niet dermate onderzocht, maar was er enkel sprake van een herhaling van de wettelijke bepalingen waarop de detentie was gebaseerd, zonder dat de argumenten die de moeder had aangehaald werden beoordeeld.

 

Toen de verzoekers zich vervolgens tot het Grondwettelijk Hof hebben gericht dienden ze nog eens 50 dagen in detentie te blijven, zonder enige actie daaromtrent van het Grondwettelijk Hof.

 

Gelet op de bijzondere waakzaamheid die de bijzondere omstandigheden van de verzoekers vereisen, concludeert het EHRM dat zowel de Istanbulse magistratuur als het Grondwettelijk Hof hebben nagelaten om een snelle en doeltreffende controle van de rechtmatigheid van de detentie van de verzoekers uit te voeren. Hiermee heeft Turkije artikel 5, § 4 EVRM geschonden.