Europees Hof voor de Rechten van de Mens
76550/13 en 45938/14
(Saber en Boughassai t. Spanje) Schending art. 8 EVRM – recht op privéleven – verwijdering - openbare orde - belangenafweging – Spanje – Marokkaanse nationaliteit

In dit arrest veroordeelt het EHRM de Spaanse overheid voor de verwijdering van twee Marokkaanse onderdanen, die omwille van strafrechtelijke veroordelingen het grondgebied moeten verlaten. Het EHRM oordeelt dat Spanje geen correcte belangenafweging heeft gevoerd en Spanje daardoor artikel 8 EVRM heeft geschonden. De nationale autoriteiten hebben de criteria die door het EHRM werden ontwikkeld om de noodzaak van de verwijderings- en uitsluitingsbevelen te beoordelen, niet onderzocht.

 

Feiten: verwijdering van twee Marokkaanse onderdanen omwille van strafrechtelijke veroordelingen

 

Beide verzoekers zijn Marokkaanse onderdanen, geboren in Marokko, die tijdens hun kindertijd met hun familie naar Spanje kwamen en er school liepen. Ze hebben beiden meerdere verblijfsvergunningen gehad, waaronder een verblijfsvergunning op basis van het statuut van langdurig ingezetene. Beiden werden strafrechtelijk veroordeeld voor drugshandel. De ene kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar. De andere kreeg een straf van drie jaar en één dag. Omwille van die veroordelingen kregen ze een bevel om het grondgebied te verlaten, alsook een inreisverbod.

 

Voor het EHRM roepen ze een schending in van artikel 8 EVRM omdat de verwijdering hun privé- en familieleven zou schenden. De eerste verzoeker haalt hierbij aan dat zijn hele familie (moeder, broer en zussen, neven en nichten) in Spanje woont en dat hij geen enkele band heeft met Marokko. Hij haalt ook aan dat hij al meer dan 15 jaar in Spanje woont en er naar school is gegaan en dat hij meerdere verblijfsvergunningen heeft gehad, waaronder het statuut van langdurig ingezetene.

 

Ook de tweede verzoeker haalt gelijkaardige omstandigheden aan. De tweede verzoeker heeft daarenboven nog een echtgenote die in Spanje woont.

 

De nationale rechtbanken oordeelden dat de verwijderingsbeslissing geen sanctie was, maar een juridisch gevolg van de strafrechtelijke veroordeling van de gevangenisstraf. Ze oordeelden daarbij dat een onderzoek naar hun banden met Spanje niet nodig was, omdat die belangenafweging al werd gemaakt bij het aannemen van de wet die vastlegt voor welke misdrijven men uitgezet kan worden.

 

Schending artikel 8 EVRM: geen correcte belangenafweging

 

Het EHRM herinnert eraan dat niet alle gevestigde migranten, ongeacht de duur van hun verblijf in het land waarvan zij zullen uitgewezen worden, noodzakelijk een "gezinsleven" in de zin van artikel 8 EVRM hebben.

 

Aangezien artikel 8 EVRM ook het recht beschermt om relaties met de medemensen en met de buitenwereld te onderhouden, en het ook aspecten van de sociale identiteit van een persoon kan omvatten, moet worden aanvaard dat het geheel van sociale banden tussen gevestigde migranten en de gemeenschap waarin zij leven, integraal deel uitmaakt van het begrip "privéleven" in de zin van artikel 8 EVRM.

 

Dus ongeacht of een "gezinsleven" bestaat, vormt de uitzetting van een gevestigde migrant een inbreuk op zijn privéleven. In beide gevallen, ook ten aanzien van de verzoeker die een echtgenote heeft in Spanje, analyseert het EHRM of de verwijderingsbeslissing een inbreuk is op hun privéleven, dit gelet op de duur van het verblijf in Spanje en de band die ze hebben met hun familieleden.

 

Om te beoordelen of een verwijderingsbeslissing noodzakelijk is in een democratische samenleving en evenredig is aan het legitieme doel ontwikkelde het EHRM in zijn rechtspraak[1] volgende criteria:

  • de aard en de ernst van het misdrijf;
  • duur van het verblijf in het land;
  • de tijd die verlopen is sinds het misdrijf gepleegd is en het gedrag van de verzoeker;
  • de nationaliteiten van de betrokken personen;
  • de familiesituatie van de verzoeker, zoals de duur van het huwelijk, het hebben van een familieleven;
  • of de partner al dan niet op de hoogte was van het gepleegde misdrijf op het ogenblik dat ze een relatie startten;
  • of er kinderen zijn en hun leeftijd;
  • de graad van de moeilijkheden die de echtgenote zou ondervinden in het land naar waar de verzoeker wordt uitgewezen.
  • Het hoger belang en welzijn van de kinderen, in het bijzonder de moeilijkheden die zij kunnen ondervinden in het land naar waar de verzoeker wordt uitgewezen.
  • De duurzaamheid van de sociale, culturele en familiale banden in het gastland en het land van bestemming.

 

Het EHRM aanvaardt het argument van de Spaanse overheid niet dat stelt dat de belangenafweging tussen enerzijds het recht op een privéleven en anderzijds de bescherming van de openbare orde, al gemaakt werd bij de aannemen van de wet, die voorziet in de verwijdering van vreemdelingen die zijn veroordeeld voor een opzettelijke overtreding strafbaar met meer dan een jaar gevangenisstraf. Het EHRM wijst erop dat de aard en de ernst van de overtreding begaan door de vreemdeling slechts één van de criteria is die de overheid in overweging moet nemen om te beoordelen of de verwijdering noodzakelijk is.

 

In casu hadden de nationale autoriteiten die andere criteria enkel meegenomen bij het bepalen van de duur van het inreisverbod. Voor de verwijderingsbeslissing hebben de nationale autoriteiten geen rekening gehouden met de andere criteria die het EHRM heeft ontwikkeld zoals de duur en lengte van het verblijf, de aard van de sociale, culturele en familiebanden van de aanvragers met hun gastland, Spanje, en met het land van bestemming, Marokko.

 

Het EHRM oordeelt dan ook dat de nationale autoriteiten er niet in zijn geslaagd aan te tonen dat de verwijderingsbeslissing evenredig is met de nagestreefde legitieme doelen, en daarom noodzakelijk is in een democratische samenleving.




[1] EHRM, Üner v. the Netherlands, 18 oktober 2006, nr. 46410/99, §§ 57-58.