Europees Hof voor de Rechten van de Mens
58689/12
(M.D. en M.A. t. België) Artikel 3 EVRM – verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling – Tsjetsjeense asielzoekers – meervoudige asielaanvraag – nieuwe elementen – schending bij terugkeer naar Rusland zonder voorafgaand onderzoek van de nieuwe elementen

In een arrest van 19 januari 2016 oordeelde het EHRM dat België artikel 3 EVRM zou schenden als het een Tsjetsjeens koppel doet terugkeren naar Rusland zonder een voorafgaand onderzoek van het risico op mishandeling op basis van de documenten die ze hadden neergelegd in het kader van een meervoudige asielaanvraag.

 

Feiten: terugkeer naar Rusland van Tsjetsjeense koppel

 

In deze zaak zijn de verzoekers een koppel uit Tsjetsjenië, dat in 2007 Rusland heeft verlaten  en een asielaanvraag in België indiende. Volgens hun asielverhaal is de vader van de man in 2006 door voorstanders van Kadyrov (de huidige president van Tsjetsjenië) vermoord. De oudere broer van de verzoeker heeft een familielid van Kadyrov gedood uit wraak voor zijn vader, wat weer tot represailles van de familie Kadyrov heeft geleid.

 

In maart 2007 wees het CGVS de aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardigheid en onvoldoende kennis van de stad en regio van Grozny. Enkele maanden later, in augustus 2007 werd de schoonbroer van de man in Tsjetsjenië doodgeschoten, vermoedelijk door aanhangers van Kadyrov. De verzoekers dienden nog drie asielaanvragen in met nieuwe documenten (overlijdensakte van de schoonbroer, oproepingen van de politie in Tsjetsjenië, berichten uit twee Tsjetsjeense kranten waaruit bleek dat de verzoeker werd gezocht). De Dienst Vreemdelingenzaken nam geen enkele van de nieuwe aanvragen in overweging, omdat de DVZ meende dat er geen nieuwe elementen waren (op dat ogenblik was de al dan niet in overwegingname van nieuwe elementen nog een bevoegdheid van de Dienst Vreemdelingenzaken).[1] Volgens de DVZ waren de berichten verschenen in de kranten niet relevant door hun gesolliciteerde karakter (iedereen kan voor zo’n publicatie betalen). De oproepingen van de politie werden ook niet in aanmerking genomen. Ze dateerden immers van voor de afsluiting van de vorige asielaanvraag en moesten dus op dat moment voorgelegd worden. De enveloppe waaruit bleek dat de verzoekers enkel later de documenten ontvangen hadden was volgens de DVZ ook niet overtuigend omdat die enkel kon aantonen dat er iets aan verzoekers was verzonden, zonder enige zekerheid over de inhoud ervan. Alle schorsing- en annulatieberoepen die het koppel bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen indiende tegen de beslissingen van de DVZ werden door de RvV verworpen: de DVZ kon redelijkerwijze beslissen dat er geen nieuwe elementen waren in de zin van art. 51/8 van de vreemdelingenwet. De verzoekers werden respectievelijk in april en juni 2012 in het gesloten centrum 127bis van Steenokkerzeel opgesloten.

 

Voor het Europees Hof haalden de verzoekers aan dat een terugkeer naar Rusland een schending van artikel 3 EVRM (verbod tot foltering, onmenselijke of vernederende behandeling) zou uitmaken.

 

Voorwaardelijke schending van art. 3 van het EVRM bij terugkeer zonder onderzoek van de documenten

 

Het EHRM beperkte zich tot het onderzoek van de vierde asielaanvraag, omdat de verzoekers de vorige beslissingen van de Belgische asielinstanties niet voor het EHRM hebben aangevochten. De Europese rechters stelden vast dat de niet inoverwegingname van nieuwe elementen had geleid tot een gebrekkig onderzoek van het beweerde risico in geval van terugkeer naar Rusland. In casu heeft de nauwe interpretatie van het begrip “nieuwe elementen”, zowel door de DVZ als door de RVV, het onderzoek naar dat risico volledig van tafel geveegd (§ 62). De voorgelegde stukken (originele oproepingen van de politie, originele kranten met de berichten, en brief van de persoon die de documenten verzonden heeft) achtte het EHRM van groot belang voor hun aanvraag tot bescherming. In de vierde asielaanvraag van het koppel hadden de DVZ en de RVV geen rekening gehouden met oproepingen van de Tsjetsjeense politie van april en juni 2012, ontvangen door de verzoekers per post in augustus 2012, omdat ze die stukken, volgens de Belgische instanties, voor de afsluiting van hun vorige asielaanvraag had kunnen voorleggen. Volgens het EHRM heeft de DVZ hiermee een onredelijke bewijslast op de verzoekers gelegd. Het EHRM betwijfelde niet dat de verzoekers de documenten vroeger konden voorleggen en stelde vast dat ze alles gepoogd hadden om die onmogelijkheid aan te tonen, met name door de brief van een kennis die vertelde hoe hij en wanneer hij de documenten aan de verzoekers had doorgestuurd (§ 65 en 31). Het EHRM verweet de RVV dat het de zeer formalistische aanpak van DVZ op dat vlak had bevestigd. Door die documenten te weigeren zonder enige beoordeling van hun authenticiteit, relevantie en bewijskracht, hadden de Belgische asielinstanties hun plicht van aandachtig en nauwkeurig onderzoek genegeerd. Er is dus geen sprake van daadwerkelijke bescherming tegen elke mishandeling verboden door artikel 3 EVRM.

 

Toch besliste het EHRM niet dat de loutere terugkeer van verzoekers een schending van artikel 3 EVRM met zich zou meebrengen. De rechters volgden dezelfde redenering als in de zaak Tarakhel [2] en kwamen tot de conclusie van een voorwaardelijke schending van het EVRM. De terugkeer van de verzoekers naar Rusland zou het artikel 3 EVRM schenden, maar enkel als er geen voorafgaand onderzoek naar het risico op mishandeling – door de Belgische asielinstanties dus – wordt uitgevoerd op basis van de neergelegde documenten in het kader van hun vierde asielaanvraag.

 

Deze redenering werd door vijf van de zes rechters van het EHRM gevolgd. Rechter Sajó uitte echter zijn meningsverschil in een afwijkende opinie. Volgens hem had België al artikel 3 geschonden, door het onvoldoende onderzoek van het risico op mishandeling in geval van terugkeer naar Rusland. In deze zaak werd de terugkeer vermeden enkel door de beslissing van het EHRM, om op aanvraag van de verzoekers voorlopige maatregelen toe te kennen (art. 39 van het Procedurereglement). De schending van artikel 3 van het EVRM is dus al in het verleden gebeurd en is niet enkel een toekomstige perspectief zoals de meerderheid beslist heeft.




[1] De wet van 8 mei 2013 droeg de bevoegdheid voor de beoordeling van de nieuwe elementen over aan het CGVS.

[2] EHRM, 4 november 2014, nr. 29217/12, Tarakhel t. Zwitserland.