Europees Hof voor de Rechten van de Mens
27081/13
(Sow t. België) Artikel 3 EVRM – verbod van foltering, onmenselijke en vernederende behandeling – terugkeer naar Guinee– meervoudige asielaanvraag – risico op een herbesnijdenis – niet voldoende bewezen – geen schending

Op 19 januari 2016 achtte het EHRM het verzoek van een Guineese vrouw die bij terugkeer naar Guinee herbesnijdenis vreesde ongegrond. Het EHRM besloot dat er in casu geen ernstige redenen bestonden om te geloven dat de vrouw een reëel risico liep op onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer naar Guinee. Daarnaast oordeelde het EHRM dat artikel 13 juncto (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) artikel 3 ook niet werd geschonden. Het EHRM meende dat een ex-nunc onderzoek niet wordt verreist bij elke nieuwe asielaanvraag als het risico al op een grondige manier onderzocht werd in het kader van een vorige asielprocedure.

 

Feiten: risico op nieuwe besnijdenis voor Guinese vrouw

 

De verzoekster is een Guineese vrouw die op 23 jarige leeftijd in Guinee Conakry werd besneden. Deze gedwongen besnijdenis kwam er op vraag van haar oom, die na de dood van haar vader met haar moeder hertrouwde. In 2011 werd ze bovendien gedwongen door haar oom om te huwen met diens zoon, waarna ze naar België vluchtte en er asiel aanvroeg. Haar eerste asielaanvraag werd zowel door het CGVS als door de RVV geweigerd. De asielinstanties betwistten zowel het huwelijk tussen haar moeder en haar oom als haar eigen gedwongen huwelijk omwille van de discrepanties in haar asielverhaal. Volgens de asielinstanties, was haar vrees voor het risico op herbesnijdenis ook niet gegrond. Uit een rapport van het CGVS bleek dat de herbesnijdenis vooral meteen na de eerste besnijdenis wordt uitgevoerd en dat een gehuwde vrouw haar man kan verlaten zonder vrees van sociale uitsluiting omdat ze al besneden is: « La ré-excision en Guinée, si elle a lieu, se fait en général juste après la première excision, pendant la convalescence ; [...] à supposer que son mari lui demande une seconde excision, la femme adulte pourrait s’y opposer et quitter son mari, dans la mesure où, déjà excisée, elle bénéficie de la reconnaissance sociale. »

 

Na een tweede negatieve asielprocedure, diende de verzoekster in april 2013 een derde asielaanvraag in vanuit het gesloten centrum met de bijstand van een nieuwe advocate. Ter staving van haar derde asielaanvraag legde ze onder meer medische attesten met de beschrijving van haar besnijdenis (type I), en documenten van vzw’s Intact en Gams over het risico op herbesnijdenis voor volwassen vrouwen in Guinee. De DVZ nam die aanvraag niet inoverweging omdat de attesten al dateerden van 2011 en 2012 en de verzoekster geen overtuigende uitleg had voor de late melding ervan, terwijl ze als sinds 2011 contacten had met die verenigingen al sinds 2011 had.

 

De vrouw richtte zich tot Europees Hof voor de Rechten van de Mens omdat ze meende dat ze bij een terugkeer naar Guinee opnieuw besneden zou worden. Dit was volgens haar een schending van artikel 3 EVRM doordat ze bij terugkeer een risico op herbesnijdenis liep. Artikel 13 EVRM (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) werd ook ingeroepen. Het EHRM legde een voorlopige maatregel op (op basis van artikel 39 van het Procedurereglement) zodat België haar in afwachting van de definitieve beslissing van het EHRM niet kon uitwijzen naar Guinée.

 

Risico op herbesnijdenis in casu niet bewezen: geen schending artikel 3 van het EVRM

 

Het EHRM bevestigde dat artikel 3 van het EVRM kan toegepast worden als het gevaar van private personen komt en niet van de overheid, op de dubbele voorwaarde dat het risico reëel is, én de autoriteiten in het land van bestemming niet in staat zijn om een adequate bescherming aan te bieden.

Het EHRM merkte op dat de RVV al meermaals het vluchtelingstatuut heeft toegekend op basis van het risico op herbesnijdenis in Guinee. Die erkenningen betroffen vaak minderjarigen of net meerderjarig geworden vrouwen, die waren opgegroeid in zeer traditionele of radicale families en die een overtuigend asielverhaal hadden gegeven (§33). Het EHRM verwees naar een reeks arresten van de RvV, waarin de RvV de asielverzoeken verwierp omdat ze de angst voor het risico op herbesnijdenis ongegrond vond. Het ging hier eveneens over volwassen vrouwen van wie de asielinstanties het gedwongen huwelijk betwijfelden en die incoherente verklaringen hadden afgelegd (§34). De Europese rechters toonden hier hun vertrouwen in de Belgische asielinstanties en zagen geen reden om hun beslissing te betwijfelen. Het EHRM zag in de internationale rapporten over de algemene situatie in Guinee ook geen element om de conclusies van de nationale asielinstanties als kennelijk onredelijk te beschouwen. Volgens het EHRM kon de verzoekster niet als bijzonder kwetsbaar beschouwd worden: ze is nu 28 jaar, heeft een progressieve opleiding gehad, haar moeder met wie ze nog contact heeft, is ook tegenstander van de besnijdenis en zelf niet besneden. Het EHRM besloot dus dat er in casu geen ernstige redenen bestonden om te geloven dat de verzoeker een reëel risico liep op onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer naar Guinee. Artikel 3 EVRM werd dus niet geschonden. 

 

Geen plicht op onderzoek ex nunc bij elke nieuwe asielaanvraag: geen schending van artikel 13 van het EVRM

 

Verzoekster beweerde ook dat de asielinstanties een te nauwe interpretatie van de nieuwe elementen hadden gehanteerd en dat de RVV een onderzoek van alle elementen op het moment van de beoordeling (medische attesten) had moeten doen (ex nunc). Het EHRM is van oordeel dat zo’n ex nunc onderzoek niet verreist wordt bij elke nieuwe asielaanvraag als het risico al op een grondige manier onderzocht werd in het kader van een vorige asielprocedure, tenzij er intussen nieuwe feiten aan bod zouden zijn gekomen (§79).

 

In casu was het risico op herbesnijdenis al bij de eerste asielaanvraag door het CGVS en de RVV onderzocht. De door de verzoekster neergelegde medische attesten in het kader van de derde asielaanvraag betroffen hetzelfde risico, dat door met redenen omklede beslissingen al was weerlegd. In die omstandigheden moest de RVV geen nieuw onderzoek ex nunc van datzelfde risico uitvoeren in het kader van haar derde asielaanvraag. Het EHRM komt tot de conclusie dat artikel 13 juncto artikel 3 EVRM niet werd geschonden.