Europees Hof voor de Rechten van de Mens
45848/19
(E.G. t. België) Artikel 8 (recht op privé- en gezinsleven) – ouder van Belgisch kind – geen verblijfsrecht wegens fraude of openbare orde – bevel om het grondgebied te verlaten niet uitgevoerd – Arrest K.A. t. België van Hof van Justitie – Verblijf uiteindelijk toegekend op basis van art. 40ter Vw. (F kaart) – geen risico (meer) van uitwijzing – adequaat herstel – geschil opgelost – verzoekschrift van de rol geschrapt (artikel 37 §1 b) van het EVRM

(Samen te lezen met EHRM 20 mei 2021, nr. 47715/13, Hassane Gana t. België)

 

Op dezelfde dag heeft het EHRM beslist om twee Belgische zaken, waarin het recht op gezinsleven (artikel 8 EVRM) wegens weigering van verblijf voor ouders van Belgische kinderen op basis van fraude of openbare orde is ingeroepen, van de rol te schrappen. In beide zaken is na de indiening van het verzoekschrift bij het EHRM uiteindelijk een verblijfsrecht aan de verzoeker toegekend.   

 

Feiten in de zaak E.G.: Nigeriaanse moeder van Belgisch kind met valse identiteit en geweigerde wettelijke samenwoning met de vader

 

E.G. is een Nigeriaanse vrouw die in 2014 als minderjarige in België is aangekomen. Ze meldt dat ze slachtoffer van een prostitutienetwerk is geweest. Een paar maanden na de weigering van haar asielaanvraag door de RVV dient ze in februari 2015 een aanvraag tot wettelijke samenwoning met een Belgische onderdaan in bij de gemeente. Pas in januari 2016 - na negatief advies van het parket - wordt die aanvraag geweigerd omwille van schijnrelatie en ook omdat haar paspoort vals is. In januari 2016 bevalt ze van een dochter die in 2017, nadat de afstamming met de Belgische vader (met wie ze wou wettelijk samenwonen) door de familierechtbank is vastgesteld, Belg wordt. In november 2017, krijgt de moeder een bevel om het grondgebied te verlaten (BGV). Het beroep bij de RVV tegen dat BGV wordt in februari 2019 verworpen onder meer omdat de verzoeker “als ouder van het kind wist dat het kind is geboren in precair verblijf en dat zij desgevallend vrijwillig naar (haar) herkomstland (…) kan reizen”[1]. In april 2019 verklaart de Raad van State het cassatieberoep niet toelaatbaar. Intussen heeft de verzoeker eind november 2017 haar nieuw (echt) paspoort aan de gemeente voorgelegd. De gemeente meldt de Dienst vreemdelingenzaken (DVZ) dat het paspoort authentiek is. Pas in augustus 2019 dient ze een aanvraag gezinshereniging in ten aanzien van haar Belgisch kind. In september 2019 stapt ze naar het EHRM en in februari 2020 krijgt ze een F-kaart.

 

Feiten in de zaak Hassane Gana: niet in overwegingname gezinshereniging met Belgische kinderen als gevolg van ministerieel besluit tot terugwijzing

 

Dhr. Gana, Marokkaans onderdaan, is in 2002 geregulariseerd op basis van de regularisatiewet van 22 december 1999. In 2007 krijgt hij een ministerieel besluit tot terugwijzing (MBT) na een strafrechtelijke veroordeling tot zes jaar cel wegens diefstal met geweld. In 2008 trouwt hij met een Belgische vrouw en krijgt hij een Belgisch kind (twee anderen zijn in 2010 en 2014 geboren). Door zijn gezinssituatie kan hij van een alternatieve maatregel op zijn gevangenisstraf genieten. Tussen 2008 en 2019 probeert hij te vergeefs een verblijf via verschillende procedures te bekomen: humanitaire regularisatie (art. 9bis Vw.), gezinshereniging (art. 40ter Vw.), medische regularisatie (art. 9ter Vw.). De aanvragen worden geweigerd om redenen van openbare orde. Ook zijn drie aanvragen tot opheffing van het MBT worden geweigerd. In 2013 dient hij een verzoekschrift bij het EHRM in. Pas in juli 2019 krijgt hij een F-kaart als vader van Belgische kinderen nadat DVZ rekening heeft gehouden met het arrest K.A. t. België[2]. In deze zaak had het Hof van Justitie van de EU beslist dat de niet inoverwegingname van een aanvraag gezinshereniging enkel op basis van een inreisverbod (dus ook een MBT) zonder onderzoek van het gezinsleven en een eventuele afhankelijkheidsverhouding tussen de betrokkene en de Unieburger het EU recht schendt.      

 

Geschil is opgelost: geen risico (meer) op uitwijzing en adequaat herstelling door aflevering F-kaart

 

Voor het EHRM beweren beide verzoekers dat hun recht op gezinsleven (art. 8 EVRM) en recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel (art. 13 EVRM) door de Belgische autoriteiten zijn geschonden. Ze verwijten de RVV en de Raad van State dat hun recht op gezinsleven niet goed onderzocht werd. Voor het EHRM pleit de Belgische regering dat de verzoekers hun hoedanigheid van slachtoffers verloren hebben door de aflevering van het verblijfsrecht. Volgens de verzoekers heeft de schending van de artikelen 8 en 13 van het EVRM plaatsgevonden vóór de afgifte van de verblijfsvergunning, en was het gevolg van het feit dat geen rekening was gehouden met hun gezinsleven, zonder dat de regularisatie deze vroegere toestand had rechtgezet.

 

Het EHRM beslist om beide zaken niet te behandelen op basis van artikel 37 §1 b) van het EVRM[3]. Deze bepaling is van toepassing als twee vragen negatief worden beantwoord:

1)     Duren de feiten waarover de verzoeker zich rechtstreeks beklaagt nog?

2)     Zijn de gevolgen die uit een eventuele schending van het EVRM wegens deze feiten zouden kunnen voortvloeien uitgewist?

In beide zaken moet het EHRM nakijken of, enerzijds, het risico op uitwijzing nog bestaat en, anderzijds, of de maatregelen genomen door de Belgische autoriteiten een adequaat herstel vormen. Er is geen discussie over de eerste voorwaarde: door de aflevering van de F-kaart zijn al eerdere verwijderingsbeslissingen niet meer uitvoerbaar. Wat het adequate herstel betreft, vindt het EHRM wel dat het spijtig is dat de autoriteiten zo lang geen oplossing voor de problemen van beide verzoekers gevonden hebben. In de zaak Gana stelt het EHRM zelfs dat de verzoeker terecht van mening kan zijn dat de door hem ondervonden inmenging niet volledig is opgeheven door de regularisatie die hij heeft ontvangen (§ 33). Ondanks die overwegingen wordt het herstel als adequaat beschouwd. Het EHRM stelt vast dat de aflevering van de F-kaart beide verzoekers in staat stelt in België te verblijven en hun rechten op eerbiediging van het privé- en gezinsleven aldaar vrij uit te oefenen. Het EHRM herhaalt zijn vaste rechtspraak dat artikel 8 EVRM als zodanig geen recht op een bepaald soort verblijfsvergunning waarborgt, aangezien deze keuze tot de soevereine beoordeling van de nationale autoriteiten behoort. Het feit dat de eerdere BGV’s (en MBT in de zaak Gana) niet uitgevoerd werden en dat beide verzoekers gedurende de betrokken periode de facto in België konden verblijven maakt de omvang van het vereiste herstel aanzienlijk beperkt. Om die redenen beslist het EHRM (drie rechters) dat beide zaken van de rol worden geschrapt.




[1] RVV nr. 216 999, 18 februari 2019, p. 9.

[2] HvJ (GK), K.A. t. België, 8 mei 2018, C‑82/16.  

[3] “1. Het Hof kan in elk stadium van de procedure beslissen een verzoekschrift van de rol te schrappen wanneer de omstandigheden tot de conclusie leiden dat

(a) de verzoeker niet voornemens is zijn verzoekschrift te handhaven; of

(b) het geschil is opgelost; of

(c) het om een andere door het Hof vastgestelde reden niet meer gerechtvaardigd is de behandeling van het verzoekschrift voort te zetten.

Het Hof zet de behandeling van het verzoekschrift evenwel voort, indien de eerbiediging van de in het Verdrag en de Protocollen daarbij omschreven rechten van de mens zulks vereist.”