Europees Hof voor de Rechten van de Mens
18706/16
(Cabucak t. Duitsland) Geen schending art. 8 EVRM – recht op familieleven – belangenafweging – verwijdering – Duitsland – openbare orde – strafrechtelijke veroordelingen

In deze zaak, waarbij een Turkse onderdaan die een Duitse dochter heeft, wordt uitgewezen om redenen van openbare orde, oordeelt het EHRM unaniem dat er geen sprake is van een schending van artikel 8 EVRM.

 

Feiten : verwijdering van een drugsverslaafde, strafrechtelijke veroordeelde, Turkse man, die een Duits dochtertje heeft

 

Cabucak, is een Turks onderdaan, geboren in 1980 in Duitsland. Hij kreeg in 1996 een permanente verblijfsvergunning in Duitsland. Als kind was hij getuige van de moord op zijn moeder (gepleegd door zijn vader). Hij groeide op bij zijn grootouders. Hij werd deels begeleid in een dagkliniek, en deels in het bijzonder onderwijs, waar hij werd weggestuurd voor geweld tegen een leraar.

 

Hij werd meerdere malen veroordeeld voor druggerelateerde feiten. Voor één van de misdrijven kreeg hij een gevangenisstraf van 4 jaar en drie maanden. Hij ging ook in therapie voor zijn drugsverslaving. Na een eerste reeks veroordelingen kreeg hij al een verwijderingsbeslissing. Deze werd ongedaan gemaakt omdat hij op dat ogenblik een verblijf had, therapie ging starten en omdat er rekening werd gehouden met zijn jeugdtrauma.

 

Daaropvolgend werd verzoeker nogmaals veroordeeld voor drugsfeiten. Hij ging opnieuw in therapie, maar werd weggestuurd wegens geweld tegen het personeel. De Duitse autoriteiten namen een nieuw verwijderingsbesluit, omdat verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt. Ze hielden hierbij rekening met zijn gefaalde behandelingen voor drugsverslaving, en de waarschijnlijkheid dat hij nieuwe misdrijven zou plegen. Wat betreft zijn dochtertje stelden de Duitse autoriteiten dat zijn dochter slechts enkele maanden bij hem had gewoond en dat hij nog weinig contact heeft met haar had sinds de moeder een tweede kind heeft met een andere man. De Duitse rechtbanken oordeelden ook dat de verzoeker noch economisch, noch sociaal geïntegreerd is.

 

De verzoeker richt zich tot het EHRM en stelt dat de verwijderingsbeslissing een schending is van zijn recht op privé- en familieleven.

 

Geen schending artikel 8 EVRM: correcte belangenafweging.

 

Het EHRM stelt vast dat de verwijdering van de verzoeker een inmenging zou zijn van zijn gezinsleven, in het bijzonder ten aanzien van zijn relatie met zijn dochter. Het EHRM oordeelt echter dat deze inmenging gerechtvaardigd is omdat ze noodzakelijk is voor een democratische samenleving, ter bescherming van de openbare veiligheid en ter voorkoming van nieuwe misdrijven.

 

Het EHRM kijkt hierbij naar de aard en de ernst van de strafbare feiten die de verzoeker heeft gepleegd, ook tijdens zijn volwassen leven. Deze feiten kunnen daarbij niet louter voorgesteld worden als jeugddelinquentie. Bovendien bleef verzoeker ook strafbare feiten plegen nadat hij al voor het eerst een verwijderingsbeslissing ontving in 2002. De wijzigingen in zijn gedrag sinds 2009, zoals het voltooien van zijn secundair onderwijs en het aanpakken van zijn mentale problemen, nemen het risico op recidive niet weg.

 

Over de relatie met zijn dochter merkt het EHRM op dat de verzoeker slechts voor een korte periode met zijn dochter heeft samengewoond. Hoewel de verzoeker geboren is in Duitsland en daar heel zijn leven heeft gewoond, meent het EHRM dat er geen sprake is van een duurzame integratie in Duitsland.

 

Het EHRM volgt ook de evaluatie van de nationale rechters dat de verzoeker voldoende banden heeft met Turkije: hij heeft een goede kennis van de taal, en hij is vertrouwd met de Turkse leefomstandigheden, ook al heeft hij Turkije slechts twee maal bezocht als kind.

 

Tot slot erkent het EHRM dat de verzoeker getraumatiseerd is door de moord op zijn moeder, maar het EHRM stelt vast de verzoeker niet voldoende heeft aangetoond dat hij geen behandeling zou kunnen verderzetten in Turkije en dat zijn verwijdering het trauma zou vergroten.