Europees Hof voor de Rechten van de Mens
58424/11
(H.A. t. Griekenland) Toegang tot het grondgebied – artikel 3 (verbod op foltering) en 13 EVRM (recht op een effectief rechtsmiddel) – artikel 5 EVRM (recht op vrijheid en veiligheid)

Zie ook: EHRM 4 februari 2016, nr. 37991/11, Amadou tegen Griekenland & EHRM 11 februari 2016, nr. 5124/11, R.T. tegen Griekenland

In januari en februari 2016 werd Griekenland drie keer veroordeeld voor een schending van artikel 3 en 5 van het EVRM naar aanleiding van de detentieomstandigheden en het gebrek om de detentie daadwerkelijk te kunnen aanvechten van drie mannen die op onregelmatige wijze Griekenland waren binnengekomen.

 

Feiten

 

In een eerste zaak van 21 januari 2016 ging het om een Iraanse man die in Augustus 2010 aankwam in Griekenland. Hij werd gearresteerd en de Griekse autoriteiten vaardigden een bevel uit om hem terug te sturen naar Turkije. Dit kon niet doorgaan omdat de Turkse autoriteiten weigerden hem terug te nemen. Hij werd vastgehouden in het Soufli detentiecentrum. Aanvankelijk voor drie dagen in afwachting van zijn uitwijzing maar uiteindelijk bracht hij er zes maanden door. Hij vocht de wettigheid van zijn detentie en de detentieomstandigheden aan.

 

De zaak van 4 februari 2016 betrof een man uit Gambia die in juli 2016 Griekenland was binnen gekomen. Hij werd gearresteerd door de grenspolitie. Hij bracht drie maanden door in een gesloten centrum (Aspropyrgos), waar hij een asielaanvraag indiende. Bij zijn vrijlating kreeg hij als asielzoeker geen enkele vorm van opvang. Voor het EHRM vocht hij de wettigheid van zijn detentie, de detentieomstandigheden en zijn leefomstandigheden bij zijn vrijlating aan.

 

In de derde zaak van 11 februari 2016 richtte een Iraanse man van Koerdische origine zich tot het EHRM om zijn detentie en de verwijdering naar Turkije aan te vechten. De man kwam in oktober 2010 op illegale wijze aan in Griekenland, waarop de grenspolitie hem arresteerde en overbracht naar een gesloten centrum (Tychero). Eind november slaagde hij er in een asielaanvraag in te dienen. In januari werd hij toch uitgewezen naar Turkije. Dankzij een tussenkomst van UNHCR en diverse NGO’s werd hij vervolgens teruggebracht naar Griekenland.

 

De detentieomstandigheden zijn strijdig met artikel 3 EVRM

 

In alle drie de zaken stelde het EHRM dat uit rapporten van nationale en internationale NGO’s en organisaties bleek dat de detentieomstandigheden in de betrokken detentiecentra strijdig zijn met artikel 3 EVRM. De plaatsen waren overbevolkt en de hygiënische omstandigheden erbarmelijk.

 

In de tweede zaak (EHRM 4 februari 2016, nr. 37991/11, Amadou tegen Griekenland) stelde het EHRM bovendien dat Griekenland artikel 3 EVRM had geschonden omdat het al drie jaar de asielaanvraag van de man niet had onderzocht, waardoor hij in onmenselijke en vernederende omstandigheden moest leven.

 

In de derde zaak oordeelde het EHRM ook dat Griekenland de artikel 3 en 13 van het EVRM hebben geschonden omdat de Griekse autoriteiten de verzoeker teruggestuurd had naar Turkije zonder na te gaan of de asielprocedure nog hangende was.  Hij had dus geen toegang tot een betrouwbare asielprocedure  waardoor artikel 13 EVRM werd geschonden.

 

Geen recht op een effectief rechtsmiddel onder artikel 5 (4) EVRM

 

Artikel 5 (4) van het EVRM voorziet in een effectief rechtsmiddel in geval van detentie. Het EVRM schrijft voor dat eenieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht heeft voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.

 

In alle drie de zaken oordeelde het EHRM dat de verzoekers geen effectief rechtsmiddel hadden om hun detentie aan te vechten. Op het ogenblik van de feiten waren er tekortkomingen in het Griekse rechtssysteem waardoor er geen effectieve voorziening was om de rechtmatigheid van de detentie te toetsen voor een rechterlijke instantie.