Europees Hof voor de Rechten van de Mens
57035/18
(M.D. en A.D. t. Frankrijk) Schending artikel 3 (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling) – 11 dagen administratieve opsluiting om Dublinoverdracht te faciliteren – schending ten aanzien van baby van 4 maanden en van de moeder – Schending artikel 5 §1 en §4 EVRM – recht op vrijheid en veiligheid – recht op daadwerkelijk beroepsmiddel over rechtmatigheid van detentie – onvoldoende controle op mogelijke alternatieven voor detentie – 10.000 euro morele schadevergoeding

In deze zaak oordeelt het EHRM met zes rechters op zeven dat Frankrijk artikel 3 (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling), 5 §1 (recht op vrijheid en veiligheid en 5 §4 (recht op daadwerkelijk beroepsmiddel over rechtmatigheid van detentie) heeft geschonden door een Malinese moeder en haar baby van 4 maanden gedurende 11 dagen vast te houden in een gesloten centrum nabij de Parijse luchthaven Charles de Gaulle.

 

Feiten: 11 dagen opsluiting van een baby van 4 maanden en haar Malinese moeder om Dublinoverdracht te faciliteren

 

De verzoekster in deze zaak is een Malinese vrouw die in januari 2018 een aanvraag tot internationale bescherming wegens vrees voor genitale verminking en gedwongen huwelijk in Frankrijk heeft ingediend. In juni 2018 nemen de Franse autoriteiten een overdrachtsbeslissing naar Italië op basis van de Dublinverordening. De vrouw is 5 weken later, in juli, van haar dochter bevallen. In oktober en november is ze samen met haar baby aan huisarrest onderworpen. Op 26 november 2018 verklaart de verzoekster aan de politie, in een verhoor in het kader van haar huisarrest, dat ze naar Italië weigert te gaan. Op dezelfde dag worden ze allebei in het gesloten centrum van Le Mesnil-Amelot opgesloten. De dag nadien, 27 november, wordt de detentie verlengd nadat de verzoekster weigerde om in het vliegtuig naar Italië te stappen. Nadat al de beroepen met het oog op haar vrijlating door de Fransen rechtbanken worden geweigerd vraagt de verzoekster aan het EHRM om hun opsluiting te schorsen bij wijze van voorlopige maatregel (art. 39 van het procedurereglement). Dat verzoek wordt aanvaard en ze wordt samen met haar baby vrijgelaten en opgevangen door de bevoegde regionale autoriteiten. Na het verstrijken van het overdrachtstermijn wordt Frankrijk verantwoordelijk voor de behandeling van haar asielaanvraag.

 

Voor het EHRM beweert de verzoekster dat hun opsluiting van 11 dagen het EVRM schendt, in het bijzonder artikel 3 (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling), 5 §1 (recht op vrijheid), 5 §4 (recht op spoedige voorziening van de detentie) en 8 (recht op gezins-en privéleven).

 

Schending artikel 3 EVRM: Opsluiting van baby in sectie voor gezinnen van gesloten centrum heeft in casu de drempel van artikel 3 EVRM overschreden

 

Het EHRM herhaalt dat de bijzonder kwetsbare situatie van het minderjarige kind doorslaggevend is en voorrang heeft boven de status van de ouder als illegaal verblijvende vreemdeling. Op basis van zijn eerdere rechtspraak inzake migratiedetentie van minderjarigen moet een samenloop van drie factoren onderzocht worden om al dan niet de schending van artikel 3 EVRM vast te stellen:

  • de leeftijd van de kinderen;
  • de onaangepastheid van de detentielokalen voor kinderen;
  • en de duur van de detentie.

 

Zelfs al moet de leeftijd samen met de twee andere criteria bekeken worden, toch noteert het EHRM al dat artikel 3 in eerdere zaken geschonden is ten aanzien van kinderen van twee jaar en een half (A.M. en anderen t. Frankrijk, 12 juli 2016, nr. 24587/12)en van 7 maanden (R.M. en anderen t. Frankrijk,12 juli 2016, nr. 33201/11).   

 

Wat de materiële omstandigheden betreft concludeert het EHRM dat ze niet voldoende geschikt waren voor de behoeften van een moeder en haar baby: gebrek aan privacy, gebrekkige uitrusting voor kinderen (kinderbedden zonder gepast beddengoed, geen omkleedfaciliteiten). Het EHRM baseert zich onder meer op een rapport van het Franse nationaal preventiemechanisme (Contrôleure générale des lieux de privation de liberté, CGLP) dat sinds 2008 detentieplaatsen in Frankrijk inspecteert op basis van het OPCAT[1].  Ook al zijn de ingeroepen moeilijkheden om borstvoeding te geven en problemen met het verwarmingssysteem niet helemaal gedeeld door beide partijen, toch acht het EHRM dat die omstandigheden bijzondere ernstige gevolgen op de baby hadden.     

 

Ten slotte onderzoekt het EHRM het derde criterium: de duur van de opsluiting. Terwijl bepaalde nationale en internationale instanties (VN Mensenrechtencomité, VN Speciaal rapporteur voor foltering, CPT, Europees Parlement, CGLP[2]) aanbevelen om de detentie van kinderen voor migratiedoelen principieel te vermijden, oordeelt het EHRM niet dat de opsluiting van een kind in die omstandigheden op zich een schending van artikel 3 met zich meebrengt. Maar als de detentie te lang duurt, bereikt de herhaling van psychische en emotionele agressie de drempel van deze bepaling wel. In de zaak A.M. kwam het EHRM tot dezelfde conclusie ten aanzien van een baby van 4 maanden en een meisje van 2,5 jaar die niet meer dan 7 dagen in het gesloten centrum met hun moeder zaten opgesloten.

 

In casu stelt het EHRM vast dat de Franse autoriteiten, wel aanvankelijk al het nodige hebben gedaan om de overdrachtsmaatregel zo snel mogelijk uit te voeren en aldus de duur van de detentie zoveel mogelijk te beperken (opsluiting één dag voor de geplande vlucht naar Italië). Maar de verlenging van de opsluiting na de geweigerde vlucht, werd enkel beëindigd door de voorlopige maatregel opgelegd door het EHRM, en heeft tot een duur van 11 dagen geleid. Het EHRM beklemtoont dat het gedrag van de ouder, in casu de weigering van de moeder om in te stappen, niet doorslaggevend is voor de vraag of de verboden drempel ten aanzien van het minderjarige kind is overschreden. Rekening houdend met de ongeschikte omstandigheden, heeft de opsluiting van 11 dagen de drempel van de ernst van artikel 3 EVRM wel bereikt volgens het EHRM.

 

Artikel 3 is dus geschonden niet enkel ten aanzien van de dochter maar ook ten aanzien van haar moeder, gelet op de onlosmakelijke band tussen een moeder en haar vier maanden oude baby, de interacties die het gevolg zijn van de borstvoeding en de emoties die zij delen (§ 71).

 

Schending artikel 5§1 (recht op vrijheid): geen effectief onderzoek naar mogelijke alternatieven voor detentie

 

Indien minderjarige kinderen samen met hun ouders worden opgesloten met het oog op verwijdering vereist 5, lid 1, onder f) van het EVRM dat de nationale autoriteiten aantonen dat zij de detentiemaatregel pas in laatste instantie hebben genomen. Administratieve en, bij beroep, gerechtelijke autoriteiten moeten dus effectief onderzoeken of geen andere, minder ingrijpende maatregel kan worden toegepast om het gezin te verwijderen. In casu oordeelt het EHRM dat de Franse autoriteiten niet daadwerkelijk hebben onderzocht of de detentie en de verlenging ervan een laatste maatregel vormde waarvoor geen alternatief bestond. Daardoor is artikel 5§1 geschonden.

 

Schending van artikel 5 §4 : onvoldoende onderzoek naar alternatief voor detentie door de Franse rechters

 

De Franse rechters hadden de detentie gerechtvaardigd door de gepastheid van het centrum voor gezinnen en kinderen, de beperkte duur van de detentie en het risico op onderduiken. Het EHRM stelt vast dat de rechters de concrete omstandigheden van de vrijheidsberoving van de baby niet onderzocht hebben (§ 100). In casu hadden de Franse rechters de volgende elementen naar voor gebracht i.v.m. het risico op onderduiken: de afwezigheid van identiteits- of reisdocument neergelegd bij het politiekantoor zoals vereist door het Frans migratiewetboek om een huisarrest als alternatief voor detentie toe te kennen, en de weigering om in het vliegtuig naar Italië te stappen. Het EHRM merkt op dat de verzoekster haar huisarrest weken voor hun detentie altijd nageleefd heeft. Dat feit lijkt doorslaggevend en is, volgens het EHRM, genegeerd door de nationale rechters. In casu lijkt de weigering van verzoekster om in het vliegtuig te stappen op zich niet voldoende om de detentie te rechtvaardigen (zoals in de zaak R.K. t. Frankrijk, 12 juli 2016, nr. 68264/14). De Franse rechters hebben dus de mogelijkheid voor een alternatief op detentie niet daadwerkelijk onderzocht. Daardoor is artikel 5 §4 geschonden.  

 

Door de schending van artikel 3 EVRM acht het EHRM het niet nodig om de zaak ook aan artikel 8 (recht op gezins- en privéleven), ingeroepen door de verzoekster, afzonderlijk te toetsen. Frankrijk wordt veroordeeld tot de betaling van 10.000 euro als morele schadevergoeding voor de verzoekster.  

 

Het EHRM kwam tot de drieledige veroordeling van Frankrijk met zes rechters op zeven. In haar afwijkende opinie beklemtoont rechter Mourou-Vikström de eigen verantwoordelijkheid van de verzoekster voor de verlenging van de opsluiting door haar duidelijke weigering om naar Italië te gaan. Volgens deze rechter ondermijnt een dergelijke veroordeling het Dublinsysteem door het risico van het instrumentaliseren van kinderen.




[1] In België is er nog geen dergelijk preventiemechanisme, ondanks een aangenomen wetsontwerp door de Kamer in juli 2018, door gebrek aan bekrachtiging en publicatie in het Staatsblad door de uitvoerende macht (zie Wetsontwerp houdende instemming met het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, aangenomen te New York op 18 december 2002, Doc. Kamer, nr. 54 – 3192/4, aangenomen op 19 juli 2018). 

[2] Zie § 44-50 van het arrest.