Europees Hof voor de Rechten van de Mens
44883/09
(Nasr en Ghali t. Italië) Artikel 3 EVRM – verbod van foltering, onmenselijke en vernederende behandeling – “buitengewone overdracht” naar Egypte door CIA agenten – medeplichtigheid van Italiaanse overheid – schending– Artikel 5 EVRM – recht op vrijheid en veiligheid – willekeurige detentie in Egypte – schending– Artikel 8 EVRM – recht op gezins en privéleven – inmenging niet door de wet voorzien – schending

Op 23 februari 2016 veroordeelde het EHRM Italië voor de medewerking van de Italiaanse autoriteiten aan de ontvoering door de CIA van een Egyptische man. De man, een in Italië erkende vluchteling, werd door de CIA ontvoerd en overgebracht naar Egypte waar hij enkele maanden in het geheim werd vastgehouden. Het ging hierbij om een ‘extraordinary rendition’.

 

Feiten

 

De heer Osama Mustafa Hassan Nasr, alias Abou Omar, imam en erkend vluchteling in Italië, werd in februari 2003 door de CIA ontvoerd in Milaan en naar Cairo gebracht. Daar werd hij in een geheime plaats “incommunicado” opgesloten, ondervraagd en gefolterd. In april 2004 werd hij vrijgelaten op voorwaarde dat hij in Alexandria zou blijven en hij over zijn detentie zou zwijgen. Hij contacteerde echter zijn vrouw via de telefoon om haar gerust te stellen en hij maakte een gedetailleerd verhaal over zijn detentie over aan het parket van Milaan. Na drie weken werd hij opnieuw aangehouden. Hij werd pas in februari 2007 vrijgelaten zonder dat hij van enig strafbaar feit werd beschuldigd. In 2013 veroordeelde een rechtbank in Milaan hem voor lidmaatschap van een terroristische organisatie.

 

Door medewerking aan de ‘extraordinary rendition’  schond Italië de artikel 3, 5, 8 en 13 EVRM

 

Zowel Abou Omar als zijn vrouw richtten zich tot het EHRM en beweerden dat de Italiaanse overheid vier grondrechten had geschonden: het folteringverbod (artikel 3 EVRM), het recht op vrijheid (artikel 5 EVRM), het recht op privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM) en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel (artikel 13 juncto 3 en 8 EVRM). Het EHRM gaf hen op alle vlakken gelijk en kende Abou Omar 70.000 euro en zijn vrouw 15.000 euro toe als morele schade.

 

Het EHRM heeft al meermaals  geoordeeld dat de buitengewone overdrachten van de CIA als foltering beschouwd worden.[1] Volgens die rechtspraak is er een ernstig risico op schending van artikel 3 EVRM dat onderzocht moet worden, als de Staat wist of moest weten dat de betrokkene door de CIA werd geviseerd met het oog op een « buitengewone overdracht ». Voor het EHRM droeg Italië nog een zwaardere verantwoordelijkheid omdat de verzoeker een erkende vluchteling was. In casu waren de Italiaanse autoriteiten op de hoogte van de operatie: een Italiaanse officier van een speciale eenheid heeft deelgenomen aan de ontvoering van de verzoeker, samen met zijn Amerikaanse collega’s. Op basis van de feiten, oordeelde het EHRM dat de Italiaanse overheid zowel voor de folteringen als voor de willekeurige detentie verantwoordelijk is. Om die redenen, schond Italië de artikelen 3 EVRM (folteringverbod) en 5 EVRM (recht op vrijheid).

 

De illegale ontvoering en overdracht van de verzoeker heeft een scheiding van 4 jaar met zijn vrouw veroorzaakt. Zo een inmenging voor het gezinsleven van zowel de verzoeker en zijn vrouw was niet door de wet voorzien. Het EHRM oordeelde dat artikel 8 EVRM is geschonden in hoofd van beide verzoekers.

 

Het EHRM oordeelde dat ook de vrouw het slachtoffer was van een schending van artikel 3 EVRM. Hun gezinsleven werd immers op brutale wijze onderbroken. Bovendien kreeg de vrouw lange periode geen nieuws over haar man. De CIA en de Italiaanse veiligheidsdiensten manipuleerden het gerechtelijk onderzoek waardoor mevrouw opzettelijk verkeerde informatie kreeg over man. De vrouw heeft uiteindelijk veertien maanden moeten wachten op nieuws van haar echtgenoot.

 

De Italiaanse gerechtelijke autoriteiten hebben, op basis van de melding van de vrouw die haar man vermist verklaarde, en van het verhaal van de verzoeker, een nauwkeurig onderzoek gevoerd. Dat onderzoek heeft de feiten en de rol van de daders kunnen beschrijven (zowel de CIA agenten als hun collega’s van de Italiaanse veiligheidsdiensten). Toch stelde het EHRM vast dat geen enkele dader werd gestraft en dat de Italiaanse regering nooit om de uitlevering van de CIA agenten aan de VS heeft gevraagd. De verzoekers hebben dus geen daadwerkelijk rechtsmiddel gehad. Het EHRM concludeerde in dat opzicht dat ook artikel 13 EVRM werd geschonden.




[1] EHRM 24 juli 2014, nr. 28761/11, Al Nashiri t. Polen; EHRM 24 juli 2014, nr. 7511/13, Husayn (Abu Zubaydah) t. Polen.