Europees Hof voor de Rechten van de Mens
43611/11
(F.G. t. Zweden) Asiel – schending artikel 2 en 3 EVRM – bekering tot het Christendom – verplichting om alle elementen te beoordelen – Grote Kamer

In een arrest van 23 maart 2016 oordeelde de Grote Kamer van het EHRM dat de artikelen 2 en 3 van het EVRM geschonden zouden zijn als Zweden een Iraanse man naar Iran zou terugsturen zonder een ex nunc beoordeling door de Zweedse asielautoriteiten over de gevolgen van zijn bekering tot het Christendom. 

 

Feiten

 

Een Iraanse man vroeg in 2009 asiel aan in Zweden. Hoewel hij tijdens zijn gehoor aan de Zweedse asielinstanties een verklaring voorlegde van een Zweedse priester, waaruit bleek dat de man een lid was van zijn congregatie en er gedoopt werd, wilde de Iraanse man de bekering niet inroepen als een grond voor asiel. Hij beschouwde dit immers als een persoonlijke kwestie.

 

De man haalde wel zijn politieke verleden aan als een grond voor asiel. Hij had samen met verschillende personen, verbonden aan verschillende universiteiten, zich verzet tegen het regime in Iran. Hij werkte ook voor de Groene Beweging, een politieke beweging die de afzetting van Ahmadinejad vroeg na de verkiezingen in 2009. Hij werd hiervoor meermaals gearresteerd en opgesloten in de gevangenis, waar hij mishandeld werd. Hij moest verschijnen voor de revolutionaire rechtbank, waar hij onder de voorwaarde om samen te werken met de Iraanse autoriteiten, werd vrijgelaten. Enkele maanden later moest hij opnieuw verschijnen voor de rechtbank. Hij besloot Iran met de hulp van een smokkelaar te ontvluchten.

 

In 2010 verwierpen de Zweedse asielinstanties zijn asielaanvraag. De man ging in beroep en riep zowel politieke als religieuze gronden in voor asiel. Tijdens de zitting verklaarde hij echter dat hij zijn bekering niet wilde inroepen omdat het behoort tot zijn privéleven. Zijn beroep werd dan ook verworpen.  Na het ontvangen van een uitwijzingsbeslissing, verzocht de man om een herziening van de beslissing. Hij zou nieuwe bewijsstukken kunnen voorleggen van zijn aansluiting bij een christelijke congregatie en de deelname aan een initiatieceremonie. Aangezien de ceremonie werd uitgezonden op het internet vreesde de man dat de kans dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zouden zijn van zijn bekering werd vergroot. De Zweedse asielinstanties weigerden de herziening. De bekering werd immers niet aanzien als een nieuw feit.

 

De man richtte zich tot het EHRM waar hij argumenteerde dat een uitwijzing naar Iran een schending zou opleveren van art. 2 en 3 EVRM. Het EHRM oordeelde op 16 januari 2014 dat de uitvoering van de uitwijzingsmaatregel niet zou leiden tot een schending van het EVRM. De zaak werd doorverwezen naar de Grote Kamer, die de zaak in twee delen onderzocht. Eerst onderzocht het de politieke activiteiten van de man, daarna zijn bekering tot het christendom in Zweden.

 

Geen schending EVRM wegens het politieke verleden van de man bij een uitwijzing naar Iran

 

Het EHRM oordeelde dat de Zweedse asielinstanties voldoende rekening hadden gehouden met de elementen aangebracht door de man, zijnde het verzet tegen de regering, zijn arrestaties, de detentie en de mishandeling tijdens de detentie. De Zweedse asielinstanties oordeelden dat de politieke activiteiten van de man eerder op een laag niveau plaatsvonden en dat hij sinds 2009 geen nieuwe dagvaardingen kreeg om te verschijnen voor de Revolutionaire Rechtbank. De Zweedse asielinstanties concludeerden dat er geen nood was aan bescherming.

 

Het EHRM meende bovendien dat de procedure voor de Zweedse asielinstanties correct was verlopen en voldoende ondersteund door onder meer betrouwbare en objectieve bronnen. Het EHRM oordeelde dat de artikelen 2 en 3 van het EVRM dan ook niet geschonden zijn wegens het politieke verleden van de man in het geval hij uitgewezen zou worden naar Iran.

 

Door zijn bekering zou een uitwijzing naar Iran een schending opleveren van het EVRM: de asielinstanties hebben de plicht om uit eigen beweging alle informatie te beoordelen

 

Het EHRM wees in zijn uitspraak op het feit dat de asiel- en beroepsinstanties bewust waren van het feit dat de asielzoeker zich bekeerd had tot christen en dat hij daarom behoorde tot een groep van personen die een risico lopen op een behandeling in strijd met artikelen 2 en 3 van het EVRM bij een terugkeer naar Iran.

 

Het EHRM stelde dat beide instanties geen grondig onderzoek hebben gedaan naar de bekering van de asielzoeker omdat de asielzoeker nagelaten had om de bekering aan te grijpen als grond voor asiel. Ook de ernst van zijn geloof, de manier waarop hij zijn christelijk geloof in Zweden beleefde en de manier waarop de man zijn geloof zou manifesteren in Iran eenmaal de uitwijzingsmaatregel zou uitgevoerd worden, werden niet verder onderzocht. Bij de vraag tot heropening van het dossier werd de bekering bovendien niet beschouwd als een ‘nieuwe omstandigheid’. De Zweedse autoriteiten hebben dus nooit een beoordeling gemaakt van het risico dat de Iraanse man zou lopen, als gevolg van zijn bekering, bij een terugkeer naar Iran. Het EHRM bracht ook naar voor dat, gezien het absolute karakter van de artikelen 2 en 3 van het EVRM, het moeilijk denkbaar was dat het betrokken individu zou afzien van de bescherming die de artikelen bieden. Het EHRM stelde dat onafhankelijk van het gedrag van de asielzoeker de bevoegde nationale autoriteiten een plicht hebben om uit eigen beweging alle informatie die onder hun aandacht wordt gebracht te beoordelen vooraleer een beslissing te nemen over de uitwijzing naar Iran.  

 

Voor de Grote Kamer werden ook nog nieuwe elementen aangebracht. In het licht van dit nieuwe en het eerder voorgelegde materiaal besloot het EHRM dat de asielaanvraag omwille van de bekering van de man een beoordeling verdiende door de nationale autoriteiten. De Zweedse autoriteiten moesten dit materiaal in rekening nemen, evenals verdere ontwikkelingen over de algemene situatie in Iran, en de bijzondere omstandigheden van de situatie van de Iraanse man. Het EHRM besloot dat er een schending zou zijn van de artikelen 2 en 3 van het EVRM als de Iraanse man naar Iran zou teruggestuurd worden zonder een ex nunc beoordeling door de Zweedse autoriteiten van de gevolgen van zijn bekering.