Europees Hof voor de Rechten van de Mens
24917/15
(Asady en anderen t. Slovakije) Geen schending artikel 4, Protocol nr. 4 EVRM (4 rechters tegen 3) – verbod op collectieve uitzetting– Verwijdering van Afghanen naar Oekraïne – geen asielaanvraag in Slovakije – geen individueel onderzoek – geen aanwijzing van risico behandeling die het EVRM zou schenden

In deze zaak besluit het EHRM met de kleinste meerderheid (4 rechters op 7) dat Slovakije het verbod op collectieve uitwijzingen (art. 4 van Protocol nr. 4 EVRM) niet geschonden heeft door een groep Afghanen in november 2014 met stereotype beslissingen naar Oekraïne te hebben teruggedreven.  

 

Feiten: Terugdrijving van Afghanen van aan de Slovaakse grens naar Oekraïne met gestandaardiseerde beslissingen

 

De verzoekers in deze zaak zijn 19 Afghanen. Op 17 november 2014 zijn ze aangehouden door de Slovaakse grenspolitie dichtbij de Oekraïense grens. Om 1u30 ‘s nachts worden ze aangetroffen bij een politiecontrole, verborgen in een vrachtwagens. 32 personen zijn naar de grenspost van Petrovce gebracht. Daar zijn ze geïdentificeerd en geïnterviewd door politieagenten. Een tolk in Farsi was aanwezig vanaf 9u ‘s ochtends. Onder de 32 personen onderging er maar één naar een medisch onderzoek. 12 personen gingen naar een opvangcentrum nadat hun asielaanvraag werd geregistreerd. Om 10u30 s ‘avonds dezelfde dag worden de 19 verzoekers naar Oekraïne teruggebracht zonder termijn om vrijwillig terug te keren. Daar belanden ze in een gesloten centrum. Op 18 november beweren ze aan een Oekraïense NGO dat ze asiel in Slovakije wilden aanvragen, zoals de andere mensen van de groep, en dat ze niet begrijpen waarom ze naar Oekraïne zijn teruggebracht in plaats van naar het Slovaaks asielcentrum zoals de 12 andere Afghanen. Via deze NGO kunnen ze de Slovaakse Liga voor mensenrechten contacteren. Via hen dienen ze een beroep in tegen hun uitwijzing voor de Slovaakse beroepsinstantie die het verwerpt. Voor het EHRM zijn ze door de Slovaakse NGO vertegenwoordigd.     

 

Schrapping van de rol van bepaalde verzoekers : geen voldoende contact met hun advocaat

 

Het EHRM schrapt de zaak van de rol van 12 verzoekers door gebrek aan voldoende bewijzen dat ze in contact met hun advocaat zijn gebleven sinds de indiening van het verzoekschrift. In een afwijkende opinie vindt rechter Keller dat het EHRM de situatie van vijf verzoekers ten gronde zou moeten onderzoeken. Die vijf migranten hebben het contact met hun advocaat enkel via Facebook onderhouden en niet via telefoon of Whatsapp, terwijl ze tussen verschillende landen reisden. Ze hebben geen privé berichtjes uitgewisseld maar hun Facebook profiel was nog actief en sommigen waren leden van de Facebook groep van hun advocaat. Volgens rechter Keller is Facebook een geldig communicatiemiddel rekening houdend met hun kwetsbare situatie en hij ziet geen reden om het van de telefoon of Whatsapp te onderscheiden.  

 

Geen schending artikel 4 Protocol nr. 4 EVRM

 

De partijen zijn oneens over de manier waarop de interviews van de verzoekers zijn verlopen. Volgens de Slovaakse regering ging het om geïndividualiseerde verhoren met een tolk, opnames en overschrijving van de inhoud en ondertekening van het verslag door elke betrokkene. Volgens de verzoekers zijn ze in groep geïnterviewd onder een zekere druk en hebben ze het document ondertekend zonder de inhoud te begrijpen. Op basis van de verslagen van die verhoren stelt het EHRM vast dat:

-        alle migranten door twee politieagenten en één tolk werden geïnterviewd tussen 9u10 en 12u30;

-        elk interview precies 10 minuten geduurd zou hebben;

-        elke verzoeker dezelfde gestandaardiseerde vragen kregen waarop vaak gelijkaardige antwoorden werden gegeven;

-        de officiële duur van bepaalde interviews soms overlappen met elkaar (bv. dezelfde twee politieagenten en dezelfde tolk zijn vermeld als aanwezig tussen 9u20 en 9u30 bij drie verschillende interviews).     

 

De Slovaakse regering verklaart die overlappingen door fouten in de registratie doordat sommige interviews s ’nachts of heel vroeg in de ochtend plaatsvonden. Het EHRM acht die verklaring weinig aannemelijk gezien de interviews, volgens het verslag van de politie zelf, tussen 9u10 en 12u30 plaatsgevonden hebben. Toch beoordeelt het EHRM dat die omstandigheden niet volstaan om te tonen dat de verzoekers geen echte en effectieve kans hadden om argumenten tegen hun uitzetting in te dienen. Op basis van de inhoud van de politieverslagen berust het EHRM zijn beoordeling op de volgende elementen:

-        de antwoorden van de verzoekers zijn gelijkaardig waarschijnlijk omdat de omstandigheden van hun binnenkomt in Slovakije en hun reisparcours ook gelijkaardig zijn;

-        de vermelding van verschillende geldbedragen dat elke verzoeker aangeeft te bezitten, wijst op een geïndividualiseerde aanpak van elke situatie;

-        de verzoekers spreken niet van enige vervolgingen of risico op doodstraf in hun herkomstland, en hebben Afghanistan verlaten om economische redenen met het oog op het vinden van werk in Duitsland, en ze willen geen asiel in Slovakije vragen;

-        verzoekers hebben niet aangetoond dat het verslag hun werkelijke verklaringen niet weerspiegelen of dat de vertaling verkeerd was (zoals ze beweren);

-        de bewering dat hun asielaanvraag geformuleerd is en genegeerd door de politie wordt evenmin gestaafd;

-        de politie heeft asielaanvragen van 12 anderen personen van dezelfde aangehouden groep wel geregistreerd, waarop ze naar een opvangcentrum zijn overgebracht, en niets laat denken dat de politie dezelfde wens van deze verzoekers zou hebben genegeerd;

-        geen enkele verzoeker heeft gevraagd om documenten of opmerkingen toe te voegen terwijl de verzoekers niet betwisten dat de tolk aanwezig was van 9u10 tot 12u30; er is geen reden om te betwijfelen dat ze informatie gekregen hebben over de juridische bijstand en hun rechten zoals vermeld op de verslagen.    

 

Om al die redenen besluit het EHRM met de kleinste meerderheid (4 rechters op 7) dat artikel 4 van het Protocol nr. 4 niet geschonden is.

 

Afwijkende opinie van drie rechters

 

Drie rechters (Keller, Schembri Orland en kamervoorzitter Lemmens) zijn van mening dat art. 4 Protocol nr. 4 EVRM wel geschonden werd door de Slovaakse overheid. Volgens hen is een gehoor van 10 minuten niet gepast om de nood aan internationale bescherming te identificeren, zeker als er maar één tolk aanwezig was. De minderheid houdt ook rekening met de hoedanigheid van asielzoekers dat bepaalde verzoekers na hun uitwijzing vanuit Slovakije gekregen hebben, waaronder één die erkend vluchteling in Oekraïne is.