Europees Hof voor de Rechten van de Mens
40324/16 en 12623/17
(Bivolaru en Moldovan t. Frankrijk) Artikel 3 (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandelingen) – uitlevering aan Roemenië op basis van Europees aanhoudingsbevel – geen schending op basis van toekenning vluchtelingenstatus door Zweden 10 jaar eerder – vrees voor vervolging niet meer gegrond en actueel – geen schending wegens vluchtelingenstatuut – vermoeden van gelijkwaardige bescherming in de EU rechtsorde – fundamentele en structurele gebreken i.v.m. detentieomstandigheden in Roemenië – onvoldoende minimale individuele ruimte in de cel – Voldoende feitelijke basis om het vermoeden weer te leggen – schending artikel 3 wegens detentieomstandigheden

In deze zaak oordeelt het EHRM dat de uitlevering aan Roemenië op basis van een Europees aanhoudingsbevel (hierna “EAB”) artikel 3 EVRM schendt bij gebrek aan bijkomende garanties over de detentieomstandigheden nadat de verzoeker Moldovan precieze informatie voor de Franse rechtbanken over structurele en fundamentele gebreken had voorgelegd. In de gevoegde zaak Bivolaru oordeelt het EHRM dat de uitlevering van verzoeker artikel 3 EVRM niet heeft geschonden ondanks zijn vluchtelingenstatus die Zweden 10 jaar ervoor had toegekend. Het EHRM meent dat er geen aanwijzing bestond dat de vervolgingen op zijn religieuze overtuigingen werden gebaseerd.

 

Feiten: tenuitvoerlegging van Europees aanhoudingsbevel naar Roemenië

 

In 2016, werden de verzoekers, Bivolaru en Moldovan, beiden Roemeense burgers, aangehouden in Frankrijk op basis van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door Roemenië (de ene wegens zedenfeiten met een minderjarige, de andere wegens mensenhandel). Voor de Franse rechtbanken, verzetten ze zich vergeefs tegen hun uitlevering die volgens hen artikel 3 van het EVRM zou schenden. Ze roepen allebei fundamentele en structurele gebreken i.v.m. detentieomstandigheden in Roemenië in. Bovendien beweert dhr. Bivolaru dat zijn vluchtelingenstatuut, toegekend door Zweden 10 jaar eerder, voor Roemenië lid van de EU was, zich verzet tegen de uitlevering naar zijn herkomstland. Hij werd erkend als vluchteling in hoedanigheid van leider van de MISA, een spirituele yogabeweging die vervolgd werd in Roemenië. In 2005 had het Zweedse hooggerechtshof zijn uitlevering naar Roemenië wegens zedenfeiten en andere inbeschuldigingstellingen geweigerd wegens risico op vervolgingen op basis van zijn religieuze overtuiging.    

 

Na de interne procedure tot het Hof van Cassatie, zijn ze in 2016 (apart) aan Roemenië uitgeleverd. Bivolaru had het EHRM een interimmaatregel gevraagd met het oog op de voorlopige schorsing van de uitlevering maar het EHRM kende deze niet toe. Voor het EHRM herhalen ze dat hun uitlevering naar Roemenië artikel 3 (absoluut verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandelingen) heeft geschonden.   

 

Weerlegbaar vermoeden van gelijkwaardige bescherming in de EU rechtsorde

 

Na een interessante samenvatting van de rechtspraak van het Hof van Justitie over het EAB en de uitzonderingen op de verplichte uitlevering (§ 49-55), herhaalt het EHRM zijn eigen rechtspraak over het vermoeden van gelijkwaardige bescherming in het kader van de EU rechtsorde[1]. Als ze enkel hun verplichtingen uit het EU-recht toepassen, wordt er vermoed dat de EU lidstaten ook het EVRM naleven omdat de EU als organisatie een gelijkwaardige bescherming van de grondrechten biedt. De toepassing van het vermoeden van gelijkwaardige bescherming is onderworpen aan twee voorwaarden. Ten eerste, mogen de nationale autoriteiten geen speelruimte of appreciatiemarge hebben in de toepassing van hun internationale juridische verplichtingen. Ten tweede moeten de mogelijkheden van het controlemechanisme waarin het EU-recht voorziet, ten volle worden benut. Deze laatste voorwaarde wordt soepel geïnterpreteerd: er wordt niet vereist dat een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU in elke zaak door de nationale rechter wordt voorgelegd (§ 99).   

 

Dat vermoeden kan echter weerlegd worden in geval van een kennelijke ontoereikendheid in de bescherming van een door het EVRM gewaarborgd recht, dat niet door het EU-recht kan worden verholpen (§103). Het EHRM moet nagaan of het beginsel van wederzijdse erkenning niet automatisch en mechanisch wordt toegepast, ten nadele van de grondrechten, hier artikel 3 EVRM, net zoals het Hof van Justitie een vergelijkbaar onderzoek voert naar artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU (§ 114). Een risico van onmenselijke of vernederende behandeling van de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht, kan een gegronde reden zijn om de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren, mits er een voldoende feitelijke basis voor een dergelijke vaststelling is (§ 105). De verzochte gerechtelijke autoriteit moet een geactualiseerd en gedetailleerd onderzoek naar de situatie verrichten, teneinde na te gaan of er een reëel en individualiseerbaar risico is van schending van artikel 3 EVRM (zoals beoordeelt door het EHRM in de zaak Romeo Castaño t. België, 9 juli 2019).

 

Behouden van vluchtelingenstatuut toegekend door Zweden volstaat niet: geen schending art. 3 EVRM inzake Bivolaru

 

In de zaak Bivolaru hadden de Zweedse autoriteiten, op vraag van de Franse rechters, bevestigd dat de verzoeker zijn vluchtelingenstatuut nog behield. Volgens het EHRM, moet de gerechtelijke autoriteit rekening houden met dat element in zijn onderzoek naar artikel 3 EVRM. Maar het vluchtelingenstatuut op zich volstaat niet om de uitlevering naar het herkomstland, lid van de EU, automatisch te weigeren, zodat het beginsel van wederzijdse erkenning niet genegeerd wordt. De verzochte autoriteit moet onderzoeken of, afgezien van zijn vluchtelingenstatus, de persoonlijke situatie van verzoeker, in de omstandigheden op de datum van hun beslissing (ex nunc), zijn overlevering aan de Roemeense autoriteiten niet in de weg stond.

 

In casu vindt het EHRM dat het onderzoek door de Franse autoriteiten adequaat was en wel rekening met zijn vluchtelingenstatuut heeft gehouden. Het EHRM vindt dat verzoeker geen enkel element heeft gebracht, noch voor de Franse rechtscolleges noch voor het EHRM zelf, om te besluiten dat een risico op vervolging op basis van zijn religieuze overtuiging nog bestond op het moment van de tenuitvoerlegging van het EAB. Het behouden van zijn vluchtelingenstatuut is niet doorslaggevend: de Zweedse autoriteiten hebben zich niet uitgesproken over het al dan niet actuele risico op vervolging in Roemenië, 10 jaar na de toekenning van het statuut. Er was dus geen voldoende feitelijke basis om het vermoeden weer te leggen. Artikel 3 EVRM is dus niet geschonden i.v.m. een risico op vervolging op basis van zijn vluchtelingenstatuut.

 

In de zaak Bivolaru, oordeelt het EHRM dat artikel 3 EVRM ook niet geschonden is i.v.m. het risico op onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden. Volgens het EHRM waren de grieven van verzoeker voor de Franse rechtbanken te vaag en algemeen op dat vlak om een begin van bewijs van structurele en fundamentele gebreken te vormen. Bovendien had de verzoeker het sleutelarrest Aranyosi-Căldăraru[2] van het Hof van justitie pas in de cassatieprocedure ingeroepen. In die omstandigheden waren de verzochte Franse autoriteiten niet verplicht om bijkomende informatie aan de Roemeense overheid te vragen.

 

Onvoldoende rekening gehouden met fundamentele en structurele gebreken i.v.m. detentieomstandigheden in Roemenië: schending art. 3 EVRM inzake Moldovan

 

In tegenstelling tot dhr. Bivolaru had dhr. Moldovan al precieze en gedetailleerde informatie over onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in Roemenië in eerste aanleg aan de Franse rechters voorgelegd. De verzoeker Moldovan had 4 arresten van het EHRM van 2014 ingeroepen waarin Roemenië veroordeeld was wegens schending van artikel 3 EVRM inzake detentieomstandigheden (§111 en §8). Die arresten beschrijven een ernstige situatie van overbevolking in het bijzonder in de gevangenis van Gherla, gebrek aan verwarming of warm water, gebrek aan hygiëne, inadequate medische zorgen, individuele ruimte kleiner dan 3 of zelfs 2 vierkante meter… De Franse rechters hebben spoedig bijkomende informatie aan Roemenië gevraagd en gekregen om het risico beter te onderzoeken en hebben, op basis daarvan besloten dat het risico in casu niet bestond.

 

Het EHRM is van oordeel dat de Franse rechters te snel tot die conclusie zijn gekomen en dat er wel een voldoende feitelijke basis bestond om zo’n risico vast te stellen. Het EHRM verwijt de Franse rechtscolleges dat ze de bijkomende informatie van Roemenië niet genoeg in de context van zijn eigen rechtspraak hebben geanalyseerd, in het bijzonder wat de gevangenis van Gherla betreft, waar verzoeker moest gedetineerd worden. Het gebrek aan individuele ruimte staat centraal in de analyse en werd niet ernstig genomen door de nationale rechters. Volgens de rechtspraak van het EHRM[3], is een vloeroppervlakte van 3 m² per gedetineerde in een collectieve cel de minimumnorm die van toepassing is met betrekking tot de voorschriften van artikel 3 EVRM. Bij de berekening van deze beschikbare oppervlakte wordt de oppervlakte van de sanitaire voorzieningen niet meegerekend; deze berekening omvat de door het meubilair ingenomen ruimte, met dien verstande evenwel dat de gevangenen de mogelijkheid behouden om zich in de cel op normale wijze te verplaatsen (§ 52).

 

Volgens de Roemeense autoriteiten zou verzoeker van een “ruimte tussen 2 en 3 vierkante meters” in de gevangenis van Gherla kunnen beschikken. Het EHRM merkt op dat het “een minimale ruimte van 2 tot 3 vierkante meter” in de beslissing van de Franse instructiekamer wordt. Bovendien noteert het EHRM dat de sanitaire voorzieningen in de berekening van de beschikbare ruimte voor de verzoeker inbegrepen was. De toezeggingen van de Roemeense autoriteiten met betrekking tot andere aspecten van de detentieomstandigheden, zoals de bewegingsvrijheid en de activiteiten buiten de cel die het gebrek aan minimale ruimte zou kunnen compenseren, zijn op een stereotiepe wijze geformuleerd, volgens het EHRM. Rekening houdend met de fundamentele en structurele gebreken van het penitentiair systeem in Roemenië is de aanbeveling van de Franse autoriteiten om verzoeker in een andere gevangenis dan Gherla te detineren niet van die aard om het risico op onmenselijke of vernederende behandeling uit te sluiten. Er was dus voldoende feitelijke basis om zo’n risico vast te stellen in het bijzonder op basis van de eigen rechtspraak van het EHRM. Het EHRM komt unaniem tot de conclusie dat een kennelijke ontoereikendheid in de bescherming van de grondrechten bestaat dat het vermoeden van gelijkwaardige bescherming in dit geval weerlegd. Frankrijk heeft dus artikel 3 EVRM geschonden ten aanzien van dhr. Moldovan. Hij krijgt 5.000 euro morele schadevergoeding toegekend.




[1] Arresten Bosphorus Hava Yolları Turizm ve Ticaret Anonim Şirketi t. Ierland (GK), 30 juni 2005; Michaud t. Frankrijk, 6 december 2012; Avotiņš t. Letland (GK), 23 mei 2016.

[2] HvJ (GK), Aranyosi en Căldăraru, 5 april 2016, C‑404/15 en C‑659/15 PPU.

[3] EHRM (GK), Muršić t. Croatië, 20 oktober 2016, § 114. In dat principearrest heeft het EHRM een oppervlakte van 3m2 bepaald hoewel de CPT (preventiecomité tegen foltering van de Raad van Europa) een minimale oppervlakte van 4 m2 al lang aanbeveelt (zie § 109-115 van het arrest en de afsluidende opinies).