Europees Hof voor de Rechten van de Mens
10112/16
(Al Husin t. Bosnië-Herzegovina) Detentie – onmogelijkheid tot terugkeer – eerdere veroordeling door EHRM – schending artikel 5 §1 EVRM – geen schending artikel 5 § 4 EVRM – veilige derde landen – Bosnië-Herzegovina - Syrië

In dit arrest oordeelt het EHRM dat de detentie van een Syrische man, die de Bosnische nationaliteit had verworven maar vervolgens weer verloor, in strijd is met het EVRM als blijkt dat geen enkel veilig land hem kan opvangen. De verzoeker krijgt een morele schadevergoeding van 9.000 euro toegekend.

 

Feiten: detentie van een man met geen enkel zicht op uitwijzing

 

De verzoeker, Imad Al Husin, is in 1963 in Syrië geboren en woont momenteel in Bosnië-Herzegovina. In de jaren ’80 studeerde hij in het voormalige Joegoslavië en vocht hij aan de Bosnische kant  in een eenheid van buitenlandse mujahideen tijdens de oorlog van 1992-1995. Hij is getrouwd in Bosnië en heeft er drie kinderen. Hij verkreeg de Bosnische nationaliteit, maar verloor die in 2007. In 2008 wordt hij opgesloten in een gesloten centrum voor vreemdelingen omdat hij een gevaar zou vormen voor de nationale veiligheid. Hij heeft tevergeefs asiel aangevraagd en in februari 2011 is tegen hem een uitzettingsbevel uitgevaardigd.

 

In 2008 richtte hij zich al een eerste keer tot het EHRM. Het EHRM concludeerde in die zaak in februari 2012 (EHRM 7 februari 2012, nr. 3727/08, Al Husin tegen Bosnië-Herzegovina) dat hij zou worden blootgesteld aan een schending van artikel 3 EVRM indien hij zou worden gedeporteerd naar Syrië.  Het EHRM oordeelde toen ook dat zijn detentie in de periode van oktober 2008 tot en meteind januari 2011 een schending was van artikel 5, lid 1 EVRM.

 

De Bosnische autoriteiten namen in maart 2012 een nieuw verwijderingsbesluit en verlengden in de loop der jaren zijn detentie om redenen van nationale veiligheid, ondanks de beroepen van de verzoeker, waarin hij met name betwistte dat hij een veiligheidsrisico vormde.

 

Ondertussen, probeerden de autoriteiten een veilig derde land te vinden om hem op te vangen, maar veel landen in Europa en het Midden-Oosten weigerden dit. Ze schreven meer dan 50 landen aan, waarvan ze in 2014 al 38 weigeringen hadden ontvangen.

 

In februari 2016 werd hem een voorwaardelijke invrijheidstelling verleend en was hij onderworpen aan de verplichting om zijn woongebied niet te verlaten en regelmatig aangifte te doen bij de politie.

 

Schending artikel 5 § 1 EVRM

 

Het EHRM herinnert eraan dat een vrijheidsberoving op basis van artikel 5, lid 1, onder f), slechts gerechtvaardigd is zolang de uitzettings- of uitleveringsprocedure nog loopt. Voorts verwijst het EHRM naar zijn eigen jurisprudentie dat stelt dat detentie niet als willekeurig kan worden beschouwd als zij te goeder trouw wordt uitgevoerd, nauw verband houdt met de grond van de detentie, de plaats en de omstandigheden van de detentie passend zijn en de duur van de detentie niet langer is dan redelijkerwijs nodig is om het nagestreefde doel te bereiken. Het EHRM herinnert eraan dat artikel 3 EVRM de uitzetting van verzoeker naar Syrië verhindert. Ook de zoektocht naar een derde veilig land dat hem wou overnemen verliep moeizaam. Tegen augustus 2014 hadden al achtendertig landen geweigerd de verzoeker op te nemen. Het EHRM oordeelt dus dat de gronden voor de detentie van verzoeker niet voor de gehele duur van zijn detentie geldig zijn gebleven, aangezien er vanaf augustus 2014 geen realistisch vooruitzicht op zijn uitzetting aanwezig was.