Europees Hof voor de Rechten van de Mens
11916/15
(R. t. Rusland) Artikel 3 EVRM – verbod van foltering, onmenselijke en vernederende behandeling – terugkeer naar Kyrgyzstan – Oezbeekse minderheid – schending – mishandeling in gesloten centrum – schending artikel 3 (materiële vlak)– gebrek aan onderzoek over mishandeling – schending artikel 3 (procedurele vlak)

In een arrest van 26 januari 2016 veroordeelde het EHRM Rusland voor de schending van artikel 3 EVRM, zowel voor wat betreft de terugkeer van een man, behorend tot een etnische minderheid, naar Kirgizië, als voor de mishandelingen die hij had ondergaan in het gesloten centrum in Moskou, en naar waar de Russische autoriteiten geen onderzoek hadden gevoerd.

 

Kirgizische man van Oezbeekse etnische afkomst in Rusland

 

Deze zaak ging over een Kirgizische man van Oezbeekse afkomst die Kirgizië in 2010 had verlaten nadat hij gewond was geraakt bij etnische rellen. Hij verbleef sinds 2010 in Rusland zonder wettig verblijf. In 2012 werd hij door een Kirgizische rechtbank in absentia veroordeeld wegens deelname aan die rellen. Begin 2015 werd hij door de politie in Moskou aangehouden en naar een gesloten centrum overgebracht. Na negatieve beslissingen door de Russische rechtbanken vroeg de verzoeker aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om de schending van artikel 3 EVRM (verbod van foltering, onmenselijke en vernederende behandeling) vast te stellen i.v.m. twee verschillende feiten:

  • zijn terugkeer naar Kirgizië, en,
  • de mishandeling door de bewakers in het gesloten centrum.

 

Risico op mishandeling bij terugkeer naar Kirgizië bewezen: schending van artikel 3 van het EVRM

 

Het EHRM heeft al meermaals het risico op foltering of slechte behandeling van leden van de Oezbeekse minderheid in Kirgizië vastgesteld, in het bijzonder in verband met de rellen van 2010. Internationale rapporten tonen de wanpraktijken van de Kirgizische autoriteiten ruim voldoende aan. Uit deze rapporten blijkt ook dat de situatie is verslechterd door de straffeloosheid van de betrokken ambtenaren (§55). Als er sprake is van algemene vervolgingen van bepaalde groepen, herhaalt het EHRM dat een lagere bewijslast wordt toegepast. In dat geval moet de verzoeker 2 elementen aantonen: het bestaan van de wanpraktijken, en zijn lidmaatschap van de vervolgde groep. In casu werden ze allebei bewezen. Het EHRM concludeerde vervolgens dat zijn terugkeer naar Kirgizië door de Russische autoriteiten een schending van artikel 3 EVRM zou uitmaken.

 

Mishandeling in het gesloten centrum: feiten bewezen op basis van foto’s zonder medisch attest

 

De verzoeker beweerde ook het slachtoffer te zijn van onmenselijke behandelingen door de slagen van de bewakers in het gesloten centrum waar hij verbleef in Moskou. De gebeurtenissen werden door de Russische staat betwist. In die gevallen hanteert het EHRM een specifieke methode om de feiten vast te stellen via feitelijke vermoedens. Als een verzoeker over mishandelingen klaagt, moet de regering een overtuigende verklaring over de oorzaak van de letsels geven en eventueel over de noodzakelijkheid van het gebruik van geweld door de agenten. Indien niet, kan het EHRM tot de conclusie komen dat de staat verantwoordelijk is.[1] 

 

Als bewijs kon de verzoeker geen medisch attest voorleggen maar wel twee foto’s: een foto van hem in een gescheurde T-shirt en een andere foto waarop hij sporen van de slagen heeft (lange hematomen). De Russische staat gaf geen commentaar op die foto’s maar beweerde dat de verzoeker nooit medische zorgen had gevraagd. Op basis van die twee foto’s had zijn advocaat heel snel een klacht bij de autoriteiten ingediend. Volgens de verzoeker had de medische dienst van het gesloten centrum geweigerd om medische attesten op te maken. Het EHRM beoordeelde dat de versie van de verzoeker plausibel was en dat zijn verhaal gedetailleerd was. De foto’s vormden dus een prima facie bewijs van het geweld. Zonder overtuigende verklaringen van de regering over de oorzaak van de slagen, achtte het EHRM de feiten voldoende bewezen door de beweringen van de verzoeker. Het EHRM stelde vast dat er sprake is van een slechte behandeling verboden door het artikel EVRM. Deze bepaling (materiële vlak) is dus geschonden.

 

Artikel 3 EVRM bevat niet enkel het verbod op mishandeling maar ook de positieve verplichting om een daadwerkelijk onderzoek uit te voeren bij elke geloofwaardige bewering dat overheidsagenten zich schuldig gemaakt hebben aan dergelijke behandelingen.[2] In casu hadden de Russische autoriteiten geen strafrechtelijk onderzoek geopend en hadden noch het verhoor noch het medisch onderzoek van de verzoeker gevraagd. Het procedurele aspect van artikel 3 werd dus ook geschonden.

 

De Staat blijft verantwoordelijk voor mishandeling in gesloten centra, ongeacht hun statuut

 

Bovendien ontkende de Russische regering enige verantwoordelijkheid omdat het gesloten centrum niet door de politie maar enkel door het burgerlijke personeel wordt beheerd. Het EHRM verwierp dat argument met kracht: een Staat kan niet aan zijn verdragsrechtelijke aansprakelijkheid ontsnappen door ongeïdentificeerd personeel te laten optreden in een detentie-instelling zonder supervisie van de overheid. Als de daden van die personeelsleden niet aan de Staat zouden kunnen worden toegeschreven, dan zou het principe van de “rule of law” dode letter blijven. De Staat blijft dus verantwoordelijk ongeacht de daders al dan niet formeel tot de overheidsadministratie behoren (§ 81).

 

Dit laatste principe is van groot belang in de context van de privatisering van de escortes in het kader van gedwongen terugkeer operaties, dat nu ook in België wordt besproken.




[1] Zie in dat verband: M. BEYS, “Comment éviter les gifles à Strasbourg ? Le point sur les violences policières interdites et sur l’obligation d’enquête effective à la suite de l’arrêt Bouyid de la Cour européenne des droit de l’homme”, JT nr. 6629, 02/01/2016, 2.

[2] Zie in dat verband: M. BEYS, “Comment éviter les gifles à Strasbourg ? Le point sur les violences policières interdites et sur l’obligation d’enquête effective à la suite de l’arrêt Bouyid de la Cour européenne des droit de l’homme”, JT nr. 6629, 02/01/2016, 5.