Europees Hof voor de Rechten van de Mens
23685/14
(Bilalova e.a. tegen Polen) Artikel 5, lid 1, onder f) - Uitzetting - Onregelmatige verlenging van de detentie van kinderen na afwijzing van de vluchtelingenstatus – Plaatsing in een gevangenisachtige structuur - alternatieve maatregelen niet overwogen - Gebrek aan zorgvuldigheidseisen van autoriteiten om de duur van de detentie van de kinderen tot het strikte minimum te beperken – Geen schending artikel 3 EVRM

In deze zaak veroordeelt het EHRM Polen voor de schending van artikel 5 EVRM wegens de onregelmatige detentie van een moeder met vijf minderjarige kinderen, omdat de Poolse autoriteiten niet de nodige maatregelen hebben genomen om de duur van de detentie van de minderjarige asielzoekers tot het strikte minimum te beperken. Dit is strijd met artikel 5 EVRM. Het EHRM kent 10.700 euro morele schadevergoeding toe aan de kinderen.

Feiten: gezin met vijf minderjarige kinderen in detentie in Polen

De verzoekers in deze zaak zijn een moeder met vijf minderjarige kinderen. Het gaat om Russische onderdanen van Tsjetsjeense afkomst. In 2013 vroegen ze asiel aan in Polen, maar zij gingen naar Duitsland nog voordat over het verzoek werd beslist. De Duitse autoriteiten hebben de verzoekers teruggestuurd naar Polen op grond van de Dublinverordening.

Bij hun terugkeer legde een Poolse rechtbank een detentie van zestig dagen op, omdat hun reis naar Duitsland een risico op onderduiken zou inhouden. Zij werden in een detentiefaciliteit in Kętrzyn geplaatst en de detentie werd na de afwijzing van hun asielverzoek en de uitvaardiging van een uitzettingsbevel met nog eens 60 dagen verlengd. Hun asielaanvraag en alle beroepen werden afgewezen en vervolgens werd een uitzettingsbevel uitgevaardigd. De verzoekers menen dat hun detentie onder meer in strijd was met artikel 3 en artikel 5, lid 1, onder f), van het EVRM.

Geen schending artikel 3 EVRM: graad van ernst niet bereikt

Het EHRM merkt op dat verzoekers zich beklagen over het feit dat zij in een gesloten centrum zijn vastgehouden ondanks de vermeende slechte psychische toestand te wijten aan huiselijk geweld van de verzoekster, wat volgens de verzoekers in strijd is met artikel 3 EVRM. Volgens de informatie voor het EHRM is de vermeende onverenigbaarheid van de psychologische toestand van verzoekster met haar detentie voor het eerst onder de aandacht van de autoriteiten gebracht in een schriftelijk document ter aanvulling van het beroep dat verzoekster had ingesteld tegen de beslissing tot verlenging van haar detentie. Hoewel de beweringen van de verzoekster op dit punt niet grondig zijn onderzocht door de arrondissementsrechtbank van Olsztyn, blijkt uit de conclusies van het bij het beroep gevoegde certificaat niet dat de gezondheidstoestand van de verzoekster een tegenindicatie was voor haar detentie in het detentiecentrum of dat dit te wijten was aan het geweld dat haar echtgenoot haar heeft aangedaan. Het EHRM merkt voorts op dat uit de bewoordingen van het betrokken verzoek blijkt dat verzoekster zelf heeft verzocht om hereniging met haar echtgenoot. Het EHRM merkt voorts op dat de conclusies in het certificaat van 24 maart 2014 uitsluitend zijn opgesteld op basis van de verklaringen van verzoekster over de gevallen van huiselijk geweld waarvan zij beweert het slachtoffer te zijn geweest, en dat deze verklaringen door geen enkel medisch document zijn gestaafd. Het EHRM is niet overtuigd dat de nationale autoriteiten voldoende gelegenheid hebben gehad om te reageren op de bevindingen van dit certificaat, dat drie dagen voor de uitzetting van de verzoekers is opgesteld.

Het EHRM merkt eveneens op dat de verklaringen van de regering betreffende de medische verzorging van verzoekers door het personeel van het detentiecentrum niet zijn weerlegd. Bovendien heeft verzoekster geen bezwaar gemaakt tegen de kwaliteit van de in dit centrum verleende zorg.

Het EHRM merkt op dat de klachten die bij het EHRM zijn ingediend over het gebrek aan psychologische follow-up van de minderjarige asielzoekers en de stress die zij ondervinden van het langdurige contact met personeel in uniform van het detentiecentrum, voor het eerst aan de orde zijn gesteld in de opmerkingen die verzoekers respectievelijk op 26 maart 2015 en 3 oktober 2018 hebben ingediend, dat wil zeggen na het verstrijken van de termijn van zes maanden. Het EHRM wijst dit deel van het verzoek dan ook af als zijnde te laat, overeenkomstig artikel 35, § 1, van het EVRM.

Aangezien de ontberingen die verzoekers stellen te hebben geleden als gevolg van hun gezinssituatie en hun verblijf in het buitenland, een bron van onrust kunnen zijn geweest, is het EHRM van oordeel dat verzoekers niet hebben aangetoond dat de door hen aangeklaagde situatie te wijten was aan de nationale autoriteiten of dat deze een intensiteit heeft veroorzaakt die de door artikel 3 EVRM vereiste ernstgraad overschrijdt. De klacht betreffende de schending van artikel 3 is kennelijk ongegrond bevonden.

Schending artikel 5 EVRM voor wat betreft de verlenging van de detentie

Het EHRM volgt het bezwaar van de regering dat de klacht over de eerste detentie niet-ontvankelijk was. De verzoekers hadden immers de interne rechtsmiddelen niet uitgeput. Wat de verlenging van de detentiemaatregel betreft, is de klacht wel ontvankelijk. Het voorstel van de regering voor een bestaande compenserende maatregel kan niet worden beschouwd als een doeltreffend middel dat de rechtmatigheid van de maatregel aanzienlijk zou betwisten.

Wat de beoordeling van de beslissing tot verlenging van de detentie betreft, verwijst het EHRM naar zijn vaste rechtspraak over de rechtmatigheid van detentiemaatregelen, die overeenkomstig de uitzonderingen van artikel 5 EVRM moet worden opgelegd en niet arbitrair mogen zijn. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de duur en de voorwaarden van de detentie, de migratiegerelateerde aspecten van de maatregelen en de bijzondere situatie van kwetsbare personen. In casu bevonden de kinderen zich reeds twee maanden in detentie toen de beslissing tot verlenging van de detentie werd genomen. Ondanks het feit dat er geen enkele aanspraak werd gemaakt op ongunstige omstandigheden in het detentiecentrum, was deze voorziening in ieder geval een plaats van opsluiting die vergelijkbaar is met penitentiaire inrichtingen. Het EHRM heeft reeds geoordeeld dat de detentie van kinderen in dergelijke inrichtingen onwettig is, zelfs voor een periode die aanzienlijk korter is dan die in deze zaak.

Volgens de vaste rechtspraak van het EHRM is de opsluiting van kinderen in dergelijke inrichtingen in beginsel slechts voor de kortste tijd en onder passende voorwaarden toegestaan, nadat de regering heeft geconcludeerd dat er geen andere, minder dwingende maatregelen zijn. Het EHRM merkt in die context op dat ten tijde van de vaststelling van de beslissing tot verlenging van de detentie van de verzoekers de procedure voor hun verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus al meer dan zes maanden liep en vervolgens met twee opeenvolgende maanden werd verlengd. Gezien de duur van deze termijnen is het EHRM er niet van overtuigd dat de nationale autoriteiten die de procedure hebben gevoerd, de nodige maatregelen hebben genomen om de duur van de detentie van de minderjarige asielzoekers tot het strikte minimum te beperken. Het EHRM acht artikel 5 EVRM dan ook geschonden.