Europees Hof voor de Rechten van de Mens
29836/20 (en 9 anderen)
(M.A.M. t. Zwitserland) Schending artikel 2 EVRM (recht op leven) en 3 EVRM (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling) – uitzetting naar Pakistan – Bekering tot het christendom in Zwitserland – ontoereikend onderzoek door interne rechtbank – ex-nunc beoordeling nodig

In deze zaak oordeelt het EHRM dat de uitwijzing van een Pakistaan bekeerd tot het christendom zonder nieuw onderzoek van het risico, op basis van de algemene situatie van bekeerlingen in Pakistan en van zijn persoonlijke situatie, artikel 2 en 3 EVRM zou schenden.

 

Feiten: Weigering asielaanvraag van Pakistaan bekeerd tot het christendom in Zwitserland

 

De verzoeker is een Pakistaan die in 2015 een asielaanvraag in Zwitserland indient. Zijn verzoek was oorspronkelijk gebaseerd op zijn vrees voor de wraak van buren met wie zijn familie een vastgoedgeschil  heeft gehad. In 2016 wordt hij in Zwitserland lid van het Leger des Heils. Hij gaat regelmatig naar de mis en volgt bijbellessen en gemeenschappelijke gebedsactiviteiten. Tijdens zijn asielinterview in 2017 wordt hij door een pastoor begeleid, die zijn regelmatige deelname aan de activiteiten van het Leger des Heils in een brief bevestigt. Toch wordt hij gedurende zes uur enkel over het vastgoedgeschil ondervraagd. In eerste instantie wordt zijn verzoek geweigerd zonder beoordeling van de gevolgen van zijn bekering. Zijn beroep bij de federale administratieve rechtbank wordt in 2020 verworpen. De rechters betwijfelen de geloofwaardigheid van zijn bekering niet. Wat de algemene situatie van Christenen in Pakistan betreft, stelt de rechtbank vast dat er een toename is van religieus gemotiveerd geweld tegen christenen door militante islamitische groeperingen. De bekende aanvallen zijn echter niet zo frequent dat elk lid van de christelijke minderheid vervolging moet verwachten louter omwille van het belijden van zijn christelijk geloof. Het aantal aanvallen, dat ongeveer 1,6-2% van de totale bevolking treft, is niet hoog genoeg geacht om te wijzen op groeps- of collectieve vervolging. Wat zijn persoonlijke situatie betreft, oordelen de rechters dat zijn religieuze praktijk discreet en onzichtbaar voor de buitenwereld kan blijven.

 

In 2020 vraagt het EHRM dat Zwitserland de verzoeker niet naar Pakistan uitwijst, in afwachting van de behandeling van zijn zaak, als voorlopige maatregel (artikel 39 van het Procedurereglement). Voor het EHRM stelt hij dat zijn uitwijzing naar Pakistan artikels 2 (recht op leven), 3 (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling) en 9 (vrijheid van godsdienst) EVRM schendt.    

 

Schending artikel 2 en 3 EVRM bij uitwijzing naar Pakistan zonder nieuwe beoordeling van het risico voor bekeerling

 

Het EHRM herhaalt zijn rechtspraak inzake de positieve verplichtingen van de asielinstanties, gelet op het absolute karakter van artikel 3 EVRM: indien ze in kennis worden gesteld van feiten in verband met een bepaalde persoon waardoor deze bij terugkeer naar het betrokken land kan worden blootgesteld aan een risico van mishandeling dat strijdig is met die bepaling, moeten de autoriteiten dit risico ambtshalve beoordelen. De Zwitserse asielinstanties moesten dus het risico m.b.t. de bekering van de verzoeker vanaf hun kennis van de brief van de pastoor bij het interview in februari 2017 in aanmerking nemen. Toch werd zijn asielaanvraag in 2017 geweigerd zonder enig onderzoek van dat aspect.

 

Het EHRM noteert dat de Zwitserse federale rechtbank de situatie van christenen in Pakistan wel heeft bestudeerd. Maar de nationale rechters hebben niet specifiek de situatie van bekeerlingen tot het christendom onderzocht om conclusies te kunnen trekken over de algemene situatie van christenen in Pakistan. Het EHRM oordeelt dat de Zwitserse autoriteiten een onvoldoende grondig onderzoek voerden naar de situatie van bekeerlingen tot het christendom en van verzoekers persoonlijke situatie met betrekking tot zijn bekering. De volgende elementen zijn relevant: de ernst van zijn overtuigingen, de wijze waarop hij in Zwitserland uiting heeft gegeven aan zijn christelijk geloof, de wijze waarop hij voornemens was dit geloof in Pakistan uit te dragen indien het uitzettingsbesluit ten uitvoer werd gelegd, de kennis die zijn familie van zijn bekering had en zijn kwetsbaarheid voor vervolging en beschuldigingen van godslastering.

 

Volgens het EHRM worden de lacunes van het onderzoek van de nationale autoriteiten versterkt door het feit dat verzoeker geen bijstand van een advocaat had voor de administratieve fase en het beroep.

 

Het EHRM houdt rekening met nieuwe relevante elementen neergelegd door de verzoeker die nog niet ter beschikking waren voor de nationale rechters. In een brief van juli 2020 vertelt de verzoeker dat zijn familie in Pakistan hem met een moslima die EU burger is met Pakistaanse wortels wou laten huwen zodat hij wettig in Europa mocht blijven, wat hij weigerde omwille van zijn bekering. Zijn familie was dus op de hoogte van zijn bekering. Na deze bekentenis deelde de familie hem uiteindelijk, na lange ruzies, mee dat zij hem niet langer als lid van hun familie beschouwden. En zijn broer, een imam, zei hem dat zijn beslissing gevolgen zou hebben. In een tweede brief verklaarde verzoeker dat zijn broer, de imam, wiens verblijfsvergunning in Saoedi-Arabië eind september 2020 afliep, voornemens was naar Pakistan terug te keren.

 

Het EHRM oordeelt dat de Zwitserse autoriteiten met die nieuwe elementen rekening moeten houden, alsmede met de evolutie van de algemene situatie van bekeerlingen tot het christendom in Pakistan en van de specifieke omstandigheden van het geval van de verzoeker.

 

Het EHRM concludeert dat de artikelen 2 en 3 EVRM zouden worden geschonden indien verzoeker naar Pakistan zou worden teruggezonden, bij gebreke van een grondige en zorgvuldig ex nunc beoordeling door de Zwitserse autoriteiten van de algemene situatie van christelijke bekeerlingen in Pakistan en van de persoonlijke situatie van verzoeker, die zich tot het christendom heeft bekeerd.

 

De voorlopige maatregel om verzoeker niet naar Pakstan uit te wijzen blijft geldig totdat het arrest definitief wordt.

 

Rekening houdend met de mogelijke schending van artikel 2 en 3 EVRM acht het EHRM het niet nodig om een aparte beoordeling van artikel 9 EVRM (vrijheid van godsdienst) te voeren.