Europees Hof voor de Rechten van de Mens
25358/12
(Paradiso en Campanelli t. Italië) Artikel 8 EVRM – recht op familie- en privéleven – schending – draagmoederschap – geboorteregistratie – ouderlijke zorg – biologische verwantschap – voogdij – de facto familieband

De verzoekers in deze zaak zijn Italiaanse onderdanen die een draagmoederschapsovereenkomst hadden gesloten met een vrouw in Rusland via een Russisch agentschap voor draagmoederschap. Het kind was verwekt via de IVF-methode (in vitro fertilisatie) en geboren in februari 2011. De draagmoeder had schriftelijk verklaard dat de baby het biologisch kind was van de verzoekers. Het Russisch geboortecertificaat dat werd afgeleverd voor het kind vermeldde de verzoekers als ouders, zonder enige verwijzing naar het draagmoederschap.

Eenmaal de verzoekers terug in Italië waren aangekomen met het kind, ondernamen zij een vruchteloze poging om de geboorte te registreren. Het Italiaanse consulaat in Moskou had de Italiaanse autoriteiten geïnformeerd dat het dossier vervalste informatie bevatte. De verzoekers werden er in mei 2011 van beschuldigd bewust een verkeerde voorstelling te hebben gegeven van de burgerlijke staat, alsook de adoptiewetgeving te hebben geschonden omdat de adoptie van een dergelijk jong kind door deze wetgeving wordt verboden. De openbare aanklager van de jeugdrechtbank van Campobasso (regio Molise, Zuid-Italië) opende de procedure om het kind ter adoptie vrij te geven, aangezien het volgens het Italiaanse recht was verwaarloosd.

Nadat duidelijk was geworden dat geen van beide ouders genetisch verwant was met het kind, beval de jeugdrechter de scheiding van het kind van de verzoekers, en plaatste deze het kind onder voogdij. Het kind werd in een kindertehuis geplaatst, en later in een pleeggezin. Het kind had geen contact met de verzoekers, en evenmin had het een formele identiteit.

In april 2013 werd de weigering tot registratie van het Russische geboortecertificaat bevestigd op grond van het feit dat dit zou ingaan tegen de openbare orde, aangezien het certificaat onjuist was en er geen biologische verwantschap was tussen het kind en de verzoekers. Het kind ontving een nieuw geboortecertificaat, waarop vermeld stond dat het geboren was uit ongekende ouders.

De verzoekers brachten de zaak voor het EHRM, waarbij ze beweerden dat de onmogelijkheid om de geboorte te registreren van een kind geboren via draagmoederschap, alsook het weghalen van het kind van de zorg van de verzoekers, een schending uitmaakten van artikel 8 EVRM.

Het Hof stelde vast dat er een familieleven bestond tussen de verzoekers en het kind, en dat de Italiaanse autoriteiten de rechten van de verzoekers hadden geschonden door het kind bij hen weg te halen. Het Hof kwam tot die beslissing op basis van de volgende redenering.

Vooreerst verklaarde het Hof de klacht ingediend in de naam van het kind onontvankelijk, aangezien de verzoekers niet bevoegd waren om namens het kind te procederen: het kind was sinds langer dan twee jaar niet meer bij hen. Bovendien had een andere familie op dat moment een adoptieprocedure lopen ten opzichte van het kind, dat een andere identiteit kreeg.

De grief vanwege de verzoekers dat Italië artikel 8 EVRM had geschonden omwille van de onmogelijkheid om de geboorte van het kind te registreren was eveneens onontvankelijk verklaard door het Hof, omdat de nationale rechtsmiddelen niet waren uitgeput.

Wat betreft de klacht rond het wegnemen van het kind en de plaatsing onder voogdij, was het Hof van oordeel dat artikel 8 EVRM toepasselijk was, aangezien er een familieleven had bestaan tussen het koppel en het kind. De klacht werd dus ontvankelijk verklaard. Volgens het Hof omvatte de notie “familie” de facto familiebanden. Hoewel de periode van samenleven eerder beperkt was geweest, hadden de verzoekers zich ten opzichte van het kind als ouders gedragen. Het weghalen van het kind door de Italiaanse autoriteiten maakte in de mening van het Hof bijgevolg een inmenging uit met het familieleven van de verzoekers. Bovendien hadden de autoriteiten geen juist evenwicht gevonden tussen overwegingen van openbare orde enerzijds en het hoger belang van het kind anderzijds. Niettemin merkte het Hof op dat deze beslissing niet moest worden begrepen als een verzoek of bevel om het kind terug naar de verzoekers te brengen, aangezien het kind ondertussen wellicht een band had ontwikkeld met de familie met wie het samenleefde sinds 2013.

Twee rechters hadden een afwijkende mening. Zij stelden dat er wel een juist evenwicht was gevonden door de Italiaanse autoriteiten tussen de openbare belangen en de privébelangen, en dat er geen afdoende reden bestond om de beoordeling door de Italiaanse rechtbanken in twijfel te trekken. Immers, waar nationale rechtbanken geconfronteerd worden met complexe kwesties met betrekking tot belangenafweging, moet het Hof zich beperken tot de bevestiging dat de beoordeling door de nationale rechters niet arbitrair was.