Europees Hof voor de Rechten van de Mens
17675/18
(Saidani t. Duitsland) Beslissing – kennelijk ongegrond – geen schending artikel 2 EVRM (recht op leven) - geen schending artikel 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) – nationale veiligheid – uitwijzing Tunesië

In deze beslissing oordeelt het EHRM dat het verzoek tegen een uitwijzing naar Tunesië, waar verzoeker tot de doodstraf kan worden veroordeeld, kennelijk ongegrond is. Het EHRM volgt de conclusie van de Duitse autoriteiten dat het voldoende voorzienbaar is dat de mogelijke doodstraf voor verzoeker zou omgezet worden in een levenslange straf, waarna hij op termijn ook een voorwaardelijke invrijheidstelling zou kunnen vragen.

 

Feiten : uitwijzing naar Tunesië om redenen van nationale veiligheid

 

Verzoeker, Mr. Saidani, is een Tunesisch staatsburger, geboren en wonende in Duitsland. Op 1 augustus 2017 beveelt het Landes ministerie van Hessen Land, met onmiddellijke uitvoering, de uitwijzing van verzoeker omdat hij een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid ("Gefährder") omwille van zijn activiteiten bij de Islamitische Staat. De verzoeker vecht deze beslissing aan voor de nationale rechtbanken. In maart 2018 wordt zijn verzoek definitief afgewezen. Hij wordt door de Tunesische autoriteiten onder meer verdacht  van betrokkenheid bij de aanslag in een museum in Tunesië, waarbij 24 doden vielen.

 

De nationale rechter stelde vast dat er inderdaad een risico is dat verzoeker in Tunesië ter dood wordt veroordeeld. Echter, gezien het moratorium op de tenuitvoerlegging van de doodstraf en de bekomen diplomatieke garanties, oordeelde de nationale rechter dat er geen reëel risico is dat de verzoeker zou worden gedood. In geval van veroordeling tot de doodstraf, zou een dergelijke straf feitelijk als een levenslange gevangenisstraf moeten worden beschouwd aangezien volgens de beschikbare informatie elk doodvonnis vroeg of laat wordt omgezet in een levenslange gevangenisstraf door middel van een presidentiële gratie. Daarna kan wie veroordeeld is tot een levenslange gevangenisstraf,  na 15 jaar in de gevangenis, een heroverweging vragen. Het Federale Grondwettelijke Hof oordeelt dat de administratieve rechter de zaak voldoende heeft onderzocht, zowel wat betreft de feiten als het recht. Het verwerpt dan ook het beroep van verzoeker.

 

De verzoeker richt zich tot het EHRM voor een schending van artikel 2 EVRM (recht op leven), artikel 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) en artikel 1 Protocol 13 EVRM (afschaffing van de doodstraf). Hij meent dat een uitwijzing naar Tunesië hem zal blootstellen aan de doodstraf en dat er geen afdoende mechanismes zijn om te controleren of de doodstraf ook effectief zal omgezet worden in een levenslange straf.

 

Geen schending artikel 2 en 3 EVRM : verzoek kennelijk ongegrond

 

Het EHRM herhaalt dat artikel 2 EVRM en artikel 1 van Protocol 13 de uitlevering of uitwijzing verbiedt van een individu naar een andere staat waar hij een reëel risico loopt op de doodstraf. Dit verbod geldt eveneens op basis van artikel 3 EVRM in verband met het verbod op een vernederende en onmenselijke behandeling.

 

Het EHRM stelt vast dat de verzoeker in Tunesië de facto tot de doodstraf zou kunnen worden veroordeeld en dat de Tunesische autoriteiten hebben bevestigd dat hij deze straf zou kunnen krijgen. Het EHRM stelt echter wel dat verzoeker geen gegronde vrees kan aantonen dat de doodstraf ook zal worden uitgevoerd.

 

Het EHRM bevestigt de risicoanalyse gemaakt door de Duitse autoriteiten: Tunesië heeft een moratorium op de uitvoering van de doodstraf en Duitsland heeft daartoe ook diplomatieke garanties gekregen van de Tunesische autoriteiten. Ook voor aan terrorisme gerelateerde misdrijven wordt de doodstraf omgezet naar levenslang. Elke doodstraf die was uitgesproken werd vroeg of laat omgezet in een levenslange straf door een presidentiële gratie. Deze omzetting is niet beperkt tot gevallen van slechte gezondheid, lichamelijk onvermogen of hoge leeftijd. De omzetting naar een levenslange straf via presidentiële gratie roept in casu geen vragen op in relatie tot artikel 3 EVRM.

 

Het EHRM is het bovendien eens met de vaststelling van de Duitse autoriteiten dat een levenslange straf ook verminderd kan worden, en dat verzoeker na een zekere periode in de gevangenis toch nog in vrijheid zal kunnen worden gesteld. De verzoeker heeft twee mogelijkheden om dit te bekomen: ofwel de procedure tot voorwaardelijke invrijheidstelling op basis van het Tunesisch Wetboek Strafvordering of via een presidentiële gratie. Het EHRM stelt ook dat het mechanisme tot herziening van de levenslange straf voldoet aan de criteria uit artikel 3 EVRM: het is gebaseerd op objectieve en vooraf vastgestelde criteria, waarvan de gevangene al op het ogenblik van zijn veroordeling op de hoogte is.

 

Kortom, het EHRM volgt de conclusie van de Duitse autoriteiten en verklaart het verzoek kennelijk ongegrond. Het is immers voldoende voorzienbaar dat een mogelijke doodstraf voor verzoeker zou omgezet worden in een levenslange straf, waarna hij op termijn een voorwaardelijke invrijheidstelling zou kunnen vragen.