Europees Hof voor de Rechten van de Mens
19656/18
(M.A. t. België) Soedanese transitmigrant – verwijdering naar Soedan zonder onderzoek van het risico op slechte behandeling– afstand van verzoek tot internationale bescherming– ondertekening verklaring van “vrijwillige” terugkeer na gerechtelijk verbod tot verwijdering – terugkeer niet vrijwillig – positieve procedurele verplichtingen – schending art. 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) – schending art. 13 EVRM (recht op daadwerkelijk rechtsmiddel) juncto 3 EVRM – geen schorsend rechtsmiddel

In deze zaak oordeelt het EHRM dat België geen voldoende onderzoek heeft gevoerd naar een mogelijke schending van artikel 3 EVRM, door een Soedanese migrant in transit, terug te sturen naar Soedan. In tegenstelling tot de positie van de Belgische overheid, oordeelt het EHRM dat er wel degelijk sprake is van een gedwongen terugkeer. De Ligue des Droits Humains kwam tussen in deze zaak.

 

Feiten: uitwijzing van Soedanese transitmigrant naar Soedan in oktober 2017 na identificatie door Soedanese veiligheidsdiensten

 

De verzoeker is een Soedanese man, geboren in 1993, die in 2017 rond het Maximiliaanpark in Brussel verbleef en zich probeerde te verstoppen in het ruim van een vrachtwagen op weg naar het VK. Op 18 augustus 2017 wordt hij aangehouden en opgesloten in het gesloten centrum 127bis. In het formulier “hoorrecht”, bestemd voor de Dienst vreemdelingenzaken (DVZ), vermeldt hij dat hij gezocht zou zijn in Soedan. Hij weigert het identificatieformulier ter attentie van de Soedanese ambassade in te vullen. Toch maakt DVZ zijn persoonlijke gegevens (vingerafdrukken en foto) een paar dagen later over aan de ambassade.

 

Op 6 september 2017 dient hij een asielaanvraag in. Op 11 september ondertekent hij de voorgedrukte tekst van een in het Nederlands opgesteld formulier. De tekst vermeldt dat hij afstand doet van elke lopende asielprocedure en dat hij naar zijn land van herkomst wil terugkeren. Daarnaast schrijft hij in het Arabisch dat hij zijn asielaanvraag intrekt en verwijst daarbij naar de stappen die de Belgische regering heeft ondernomen bij de Soedanese autoriteiten en het feit dat hij geen advocaat heeft gehad. Op 27 september vindt een ontmoeting plaats tussen de verzoeker en afgevaardigden van de Soedanese autoriteiten. Pas drie dagen nadien (volgens de verzoeker) kan hij een advocaat zien. Begin oktober weigert de verzoeker een ander “hoorrecht” formulier in te vullen met vragen over zijn vrees in geval van terugkeer. Na een eerste mislukte poging (territoriale onbevoegdheid), wordt een tweede verzoek tot vrijlating voor de raadkamer op 11 oktober ingediend. De zitting zou op 17 oktober plaatsvinden. Op 12 oktober verneemt hij dat DVZ een vlucht op 13 oktober heeft gepland. Dezelfde dag, op verzoek van zijn advocate, verbiedt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel (nederlandstalig) de Belgische Staat om de verzoeker te repatriëren voordat de raadkamer zich heeft uitgesproken over de detentiebeslissing, op straffe van een dwangsom van 10.000 euro. De beschikking is uitvoerbaar verklaard en zowel het gesloten centrum als DVZ werden op de hoogte gebracht.

 

Op 13 oktober 2017 annuleert DVZ de vlucht naar Khartoem via Istanbul, die gepland is om 11.20 uur,  "uit respect voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel en niet om gevolg te geven aan de beslissingen die op eenzijdig verzoekschrift zijn genomen". Toch wordt de verzoeker naar de luchthaven gebracht. Volgens hem heeft een man in uniform in het Arabisch uitgelegd dat als hij weigert aan boord van het vliegtuig te gaan, verdere pogingen om hem te verwijderen zouden worden georganiseerd en hij dreigde ook hem kalmerende middelen toe te dienen als hij weigerde. Hij ondertekent een losbladig document in het Engels met de volgende tekst: "Ik, [M.A.], wil vrijwillig vertrekken. Ik heb mijn advocaat niet geïnstrueerd om in beroep te gaan.” In die omstandigheden gaat hij om 15.55 uur aan boord van de vlucht naar Khartoem via Caïro.

 

Zowel de raadkamer als de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg hebben de beroepen zonder voorwerp verklaard. In zijn beschikking van 5 december 2017, noteert de voorzitter van de rechtbank van Brussel dat de Belgische staat de beschikking van 12 oktober bewust heeft genegeerd. 

 

Voor het EHRM acht de verzoeker dat zijn verwijdering naar Soedan artikel 3 (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling), 6 (recht op eerlijk proces) en 13 (recht op daadwerkelijk rechtsmiddel) EVRM geschonden heeft.

 

Terugkeer naar Soedan was niet vrijwillig

 

Voor het EHRM betwist de Belgische regering dat de verzoeker nog de hoedanigheid van slachtoffer heeft: hij zou vrijwillig naar Soedan zijn teruggekeerd en heeft ginder geen problemen met de autoriteiten gehad. Volgens de unanieme rechters van het EVRM was die verwijderingsoperatie wel een gedwongen terugkeer, rekening houdend met o.m. de volgende omstandigheden:

-        De begeleiding van verzoeker door politieagenten tot het vliegtuig, zonder voorafgaande informatie en bijstand van een advocaat komt overeen met de eerste fase van een gedwongen terugkeer zoals beschreven door het CGVS in zijn verslag, ook al hij stapte hij zonder verzet in het vliegtuig; 

-        In tegenstelling tot de bewering van de terugkeerambtenaar van DVZ beheerste de verzoeker enkel het Arabisch en niet het Engels: hij heeft dus het document dat hij op 13 oktober zonder de bijstand van een tolk ondertekende niet begrepen;

-        Volgens de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in zijn beschikking van december 2017 heeft DVZ misbruik gemaakt van de kwetsbare situatie en de detentie van de verzoeker om zijn toestemming met een zogenaamde vrijwillige terugkeer te krijgen (§60-61).  

 

Schending artikel 3 EVRM (procedurele verplichtingen) : geen onderzoek van het risico op refoulement voor de verwijdering naar Soedan

 

Het EHRM is van oordeel dat het, in een dergelijke zaak, niet zijn taak is om zelf vast te stellen of de verzoeker een reëel risico op mishandeling in Soedan loopt.  Maar het moet trachten vast te stellen of de autoriteiten ambtshalve en op passende wijze rekening hebben gehouden met de beschikbare algemene informatie over Soedan en of de verzoeker voldoende gelegenheid heeft gekregen om in België om internationale bescherming te verzoeken en om zijn persoonlijke situatie toe te lichten. 

 

Gelet op het absolute karakter van het artikel 3 EVRM, vormt het feit dat de verzoeker de asielprocedure niet heeft voortgezet, op zich geen argument om de Staat te ontheffen van zijn verplichting om geen verwijdering uit te voeren zonder een voorafgaande risicobeoordeling op basis van deze bepaling te hebben uitgevoerd.

 

Het EHRM herinnert dat de bewijslast in beginsel op de asielzoeker rust om de individuele risico's in het land van bestemming te beoordelen maar dit mag echter geen afbreuk doen aan de door artikel 3 EVRM beschermde rechten van de verzoekers. Het is ook belangrijk om rekening te houden met de praktische obstakels die een vreemdeling kan tegenkomen bij het verkrijgen van toegang tot de asielprocedure (§ 94-95).

 

Het EHRM stelt veel lacunes vast in de manier waarop de verzoeker behandeld is in het gesloten centrum, o.m.:

-        Het gebrek aan voldoende informatie in het Arabisch (de informatiebrochure die hij kreeg gaat over detentie maar bevat geen informatie over de asielprocedure en de rechtsmiddelen ivm de verwijdering) (§97);

-        Gebrekkige informatie over de samenwerking tussen de Belgische en de Soedanese autoriteiten

-        Het feit dat de verzoeker pas eind september een advocaat kon zien, nadat hij afstand deed van zijn asielaanvraag (§99);

-        Het gebrek aan professionnele tolk bij het invullen van de vragenlijst “hoorrecht” waarin hij zijn vrees in geval van terugkeer naar Soedan kon uiten en de vage en onvolledige vragen van die vragenlijst (geen vraag over zijn regio van afkomst, zijn etnische afkomst of de redenen van zijn vlucht uit Soedan)  (§ 102).

 

Volgens het EHRM is de organisatie van een identificatiemissie met vertegenwoordigers van de autoriteiten van het land van herkomst met het oog op de afgifte van een laissez-passer aan vreemdelingen op zich niet problematisch. Toch stelt het EHRM vast dat de organisatie van de missie in casu niet vergezeld is van voldoende procedurele waarborgen: geen voorafgaande informatie van de verzoeker die alleen was gedurende het gesprek, of begeleid door een ambtenaar van de DVZ die er niet altijd naast was, en die sowieso het Arabisch niet beheerste, zoals vastgesteld door het CGVS in zijn verslag.

 

Volgens het EHRM kunnen verschillende daden van de verzoeker die incoherent lijken (afstand van de asielprocedure, weigering om een tweede vragenlijst “hoorrecht” in te vullen), wel verklaard worden zowel door de vastgestelde lacunes als door de sfeer van wantrouwen gecreëerd door de samenwerking tussen DVZ en de Soedanese autoriteiten zonder voldoende waarborgen (§ 100-103). 

 

Het EHRM noteert dat geen enkel onderzoek naar het risico op refoulement blijkt uit het BGV van 18 augustus 2017, dat het land van bestemming zelfs niet vermeldt (§ 90).

 

De beoordeling van de DVZ - zonder rekening te houden met de algemene situatie in Soedan en op basis van het door verzoeker verstrekte bewijsmateriaal alleen - kan niet worden beschouwd als een toereikend voorafgaand onderzoek van de risico's in het kader van artikel 3 EVRM. België heeft zijn procedurele verplichtingen op basis van deze bepaling dus niet nageleefd. Artikel 3 EVRM is dus geschonden.

 

Het EHRM neemt nota van de invoering, na de verwijdering van de verzoeker, van een praktijk van "impliciet verzoek om internationale bescherming" waardoor het CGVS op initiatief van DVZ de situatie kan onderzoeken van personen die geen asiel aanvragen in België. Volgens het EHRM zou de praktijk van de impliciete asielaanvraag a priori wel aan de procedurele vereisten van art. 3 EVRM kunnen voldoen.  (§ 112)

Schending art. 13 juncto 3 EVRM : geen respect voor het uitvoerbare verwijderingsverbod van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg

Het verzoek tot vrijlating is op zich niet het natuurlijke rechtsmiddel om de verwijdering te betwisten. Maar de combinatie van rechtsmiddelen gebruikt door de verzoeker- het verzoek om invrijheidstelling voor de raadkamer samen met een vordering in kort geding bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg – bood hem wel een tijdelijke bescherming tegen willekeurige verwijdering.

 

In die omstandigheden moest de Belgische staat het verbod tot verwijdering van de voorzitter van de rechtbank in kort geding wel respecteren.

 

Het EHRM herhaalt de chronologie van de feiten: op dezelfde dag na de beschikking van de voorzitter van de rechtbank annuleert DVZ de eerst geplande vlucht, brengt de verzoeker toch naar de luchthaven waar hij de verklaring ondertekent om een andere vlucht enkele uren later te organiseren. Volgens het EHRM ondersteunt deze chronologie de stelling van verzoeker dat de Belgische autoriteiten opzettelijk hebben gehandeld in weerwil van het verbod tot verwijdering, dat niettemin uitvoerbaar was, en dat zij vastbesloten waren hem te verwijderen voordat er een beslissing over zijn detentie werd genomen. Het EHRM merkt op dat deze interpretatie ook werd geuit door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in zijn beschikking van 5 december 2017.

 

Verzoeker was dus nooit in staat om de beweerde willekeurige verwijdering door het gerecht te laten onderzoeken en heeft dus niet van een daadwerkelijk rechtsmiddel genoten. Artikel 13 juncto 3 is geschonden.

 

Vreemd genoeg heeft de verzoeker (in feite zijn advocate) geen schadevergoeding aan het EHRM gevraagd op basis van artikel 41 van het EVRM. Er wordt dus geen enkele vergoeding toegekend.