Europees Hof voor de Rechten van de Mens
12267/16
(Khan t. Frankrijk) Schending art. 3 EVRM – verbod op foltering – NBMV – Calais - pro-actieve verplichtingen tav minderjarigen - Frankrijk

Het EHRM veroordeelt in arrest Khan van 28 februari 2019 Frankrijk omdat het geen opvang en zorg voorzag aan een 12-jarige niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV), die gedurende zes maanden in de ‘jungle’ van Calais heeft gewoond. Het EHRM oordeelt dat de Franse autoriteiten niet alles hebben gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mag worden om de bescherming van een niet-begeleide minderjarige te waarborgen en kent de verzoeker daarom een morele schadevergoeding van 15.000 euro toe. Het EHRM verduidelijkt dat artikel 3 EVRM ook pro-actieve verplichtingen inhoudt voor de bescherming van NBMV.

 

Feiten: 12-jarige NBMV leeft zes maanden in de ‘jungle’ van Calais

 

De verzoeker, een 12-jarige NBMV uit Afghanistan, leeft gedurende zes maanden in de ‘jungle’ van Calais, in erbarmelijke omstandigheden. Hij woont er eerst in een hut in het zuidelijke gedeelte, maar na de ontmanteling van die zone in maart 2016, vindt hij onderdak in het noordelijke gedeelte, in nog precairdere omstandigheden.

In februari 2016 richt een Franse ngo, Cabane Juridique,  zich in naam van de jongen tot de Franse jeugdrechter om een voorlopige plaatsing te vragen van de jongen. Diezelfde dag beveelt de rechtbank de Franse autoriteiten tot : de aanstelling van een voogd ad hoc, een plaatsing bij het departement kinderwelzijn en de jongere te helpen om hem binnen de maand te herenigen met zijn familieleden in het Verenigd Koninkrijk

De Franse overheid neemt geen verdere actie. De jongen bereikt uiteindelijk op irreguliere wijze het Verenigd Koninkrijk, eind maart 2016. Daar wordt hij opgevangen door de Britse diensten voor kinderwelzijn en -bescherming.

Schending artikel 3 EVRM wegens geen pro-actieve bescherming van 12-jarige NBMV

 

Het EHRM oordeelde dat de jongen door het gebrek aan opvang door de overheid, gedurende zes maanden in omstandigheden leefde die onaangepast zijn aan kinderen en worden gekenmerkt door een gebrek aan hygiëne, en onveiligheid, die nog erger werden na de ontmanteling van de zuidelijke sectie, waardoor zijn leefomstandigheden nog aanzienlijk achteruit gingen. Het was net om die reden dat de rechtbank zijn plaatsing had bevolen, al voor de ontmanteling.

 

Volgens de Franse autoriteiten was verzoeker niet geïnteresseerd in deze opvang, aangezien noch de jongen of zijn voogd ad hoc, noch zijn advocaat of de ngo die hem hebben bijgestaan, hem begeleid hebben naar die opvang. Het EHRM is het niet eens met die redenering. Het stelt dat dit – zonder twijfel – een taak is die toebehoort aan de overheid.  

 

Het EHRM verduidelijkt bovendien dat het feit dat de overheid heeft gewacht totdat er een plaatsing werd bevolen door de rechtbank al vragen doet rijzen over het respect voor haar verplichting, die voortvloeit uit artikel 3 EVRM, om NBMV te beschermen. Het stelt vast dat er tot de beslissing van de nationale rechter, geen enkele identificatie van de jongen heeft plaatsgevonden, dit terwijl hij zich al meerdere maanden in Calais bevond, en door zijn jonge leeftijd de aandacht had moeten trekken.

 

Het EHRM stelt vast dat de minderjarigen zich niet altijd aan de opgelegde maatregelen houden, en erkent de complexiteit van de situatie. Het EHRM volgt hierbij echter de vaststellingen van de Défenseur des Droits (de Franse Ombudsdienst), dat de maatregelen niet altijd aangepast zijn aan de wereld van deze jongeren, en het geen excuus kan zijn voor de overheid om niet op te treden.

 

Het EHRM stelt dat de Franse autoriteiten niet alles hebben gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mag worden om zo een jonge NBMV, zijnde de meest kwetsbare groep van de samenleving, te beschermen. Het EHRM komt bijgevolg unaniem tot de conclusie dat Frankrijk artikel 3 EVRM heeft geschonden. In dit arrest verduidelijkt het EHRM dus dat de bescherming van artikel 3 EVRM ook pro-actieve verplichtingen inhoudt voor de bescherming van NBMV. Nationale overheden kunnen niet wachten tot een plaatsing van een NBMV door de rechtbank wordt bevolen om de bescherming van artikel 3 EVRM te waarborgen.