Europees Hof voor de Rechten van de Mens
21459/14
(J.A. e.a. t. Nederland) Onontvankelijk – kennelijk ongegrond – artikel 3 EVRM – verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling – Dublin overdracht Italië

In een beslissing van 3 november 2015 verklaarde het EHRM het verzoek van een Iraanse moeder en haar twee kinderen (waarvan één minderjarig) over een nakende Dublin-overdracht naar Italië, onontvankelijk omdat het EHRM het verzoek kennelijk ongegrond vond. 

 

Feiten: Dublin overdracht naar Italië van moeder met twee kinderen

 

In november 2013 vroegen een Iraanse moeder en haar twee kinderen, die op dat ogenblik minderjarig waren, asiel aan in Nederland. Omdat mevrouw en haar dochters een visum van de Italiaanse ambassade in Iran hadden verkregen, duidde Nederland Italië aan als de lidstaat, die op basis van de Dublin-verordening verantwoordelijk was voor het behandelen van de asielaanvraag.

 

Na een afgewezen beroep hiertegen door de Nederlandse rechter, richtte mevrouw zich in april 2014 tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Ze bekwam een voorlopige maatregel (rule 39), waardoor Nederland de vrouw en haar dochters nog niet mocht overdragen aan Italië. Eén jaar later hief het Europees Hof, op vraag van de Nederlandse autoriteiten, deze voorlopige maatregel weer op. De Nederlandse autoriteiten wilden immers individuele garanties vragen aan Italië voor de opvang van de minderjarige kinderen maar konden dit enkel doen als ze eerst de overdracht aankondigden aan de Italiaanse instanties. Deze konden immers dan pas meer duidelijkheid geven over waar het gezin zou worden opgevangen. In augustus 2015 stuurden de Nederlandse autoriteiten een brief aan het EHRM met daarbij een kopie van een brief van de Italiaanse autoriteiten van 8 juni 2015. Deze brief beschreef de nieuwe werkwijze wat betreft Dublinoverdrachten aan Italië van gezinnen met minderjarige kinderen en de aangepaste opvangstructuren voor gezinnen met kinderen.

 

De vrouw klaagde de overdracht naar Italië aan, vanwege de slechte leefomstandigheden, wat in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM. Verder gaf zij aan dat de Nederlandse staatssecretaris de psychische gezondheidstoestand van haar en de belangen van de kinderen onvoldoende in aanmerking had genomen bij de beoordeling.

 

Geen concrete indicaties dat het gezin niet in de aangepaste opvang terecht kon: geen schending van artikel 3 EVRM

 

In overeenstemming met het arrest Tarakhel[1] en het arrest M.S.S[2] oordeelde het EHRM dat rekening moest worden gehouden met het kwetsbare karakter van het gezin: een alleenstaande moeder met een minderjarige en een meerderjarige dochter. Daardoor behoorden zij tot een ‘particularly underprivileged and vulnerable’ groep die bijzondere bescherming nodig heeft. Het EHRM herhaalde dat de huidige situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van het M.S.S.-arrest. De structuur en de algehele situatie in de opvanglocaties in Italië vormden op zichzelf geen belemmering om asielzoekers aan dat land over te dragen.

 

In deze zaak oordeelde het EHRM concreet dat de Nederlandse autoriteiten de Italiaanse autoriteiten naar behoren hadden geïnformeerd over de gezinssituatie van mevrouw en haar kinderen en hun geplande aankomst in Italië. Bovendien hadden de Nederlandse autoriteiten de Italiaanse autoriteiten laten weten dat ze de vrouw vanwege een suïciderisico bij de overdracht zouden begeleiden. Uit de brief van de Italiaanse autoriteiten van 8 juni 2015 maakte het EHRM op dat het gezin in een van de 161 opvangplekken die bestemd zijn voor de opvang van gezinnen met minderjarige kinderen, zou worden opgevangen.

 

Het gezin gaf geen concrete indicaties dat zij geen gebruik zouden kunnen maken van die 161 opvangplaatsen. Het EHRM zag dan ook geen basis voor de veronderstelling dat het gezin niet zou kunnen profiteren van de beschikbare voorzieningen in Italië voor een asielzoekende alleenstaande moeder met een of meer minderjarige kinderen, of dat, ingeval van (gezondheids)problemen, de Italiaanse autoriteiten niet op gepaste wijze zouden reageren. Aangezien mevrouw zelf de overdracht van haar medische gegevens had geweigerd kon ook niet gezegd worden dat de Italiaanse autoriteiten niet behoorlijk waren geïnformeerd omtrent haar psychische problemen of dat er sprake was van een "reëel risico" dat zij de nodige zorg in Italië niet zou krijgen.

 

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat de klacht kennelijk ongegrond was, en verklaarde het verzoek onontvankelijk.




[1] EHRM, 4 november 2014, nr. 29217/12, Tarakhel t. Zwitserland.

[2] EHRM, 21 januari 2011, no 30696/09, MSS t. België en Griekenland.