Europees Hof voor de Rechten van de Mens
49775/20
(N.B. e.a. t. Frankrijk) Art. 3 EVRM (materieel) - Onmenselijke en vernederende behandeling - Administratieve detentie gedurende veertien dagen met het doel een buitenlands kind vergezeld door zijn ouders uit te zetten – detentie in een ongeschikt centrum - Klacht betreffende het lijden van de ouders niet gegrond – art. 34 EVRM - Belemmering van de uitoefening van het recht om beroep in te stellen - Geen rechtvaardiging voor het niet naleven (gedurende zeven dagen) van de voorlopige maatregel tot stopzetting van de detentie van het kind

Het EHRM veroordeelt Frankrijk voor een schending van artikel 3 EVRM wegens de administratieve detentie van een achtjarig kind. Gelet op de jonge leeftijd van het kind, acht het de omstandigheden van de detentie in het centrum Metz-Queuleu en de duur van de detentie (14 dagen), van die aard dat artikel 3 EVRM is geschonden ten aanzien van het kind. Het EHRM stelt eveneens dat de Franse autoriteiten hun verplichtingen niet zijn nagekomen die op hen rusten krachtens artikel 34 EVRM, aangezien zij de voorlopige maatregel waarbij de regering werd verzocht de administratieve hechtenis van verzoekers te beëindigen gedurende de bij het EHRM aanhangige procedure, niet ten uitvoer hebben gelegd, zonder hiervoor enige rechtvaardiging te geven.

 

Feiten: detentie van een achtjarig kind gedurende 14 dagen

 

De verzoekers zijn Georgische onderdanen en hun zoon, wiens asielaanvragen zijn afgewezen. In afwachting van hun geplande uitzettingsvlucht worden zij in administratieve detentie geplaatst. Nadat verzoekers weigeren aan boord te gaan van hun vlucht, worden zij teruggebracht naar het gesloten centrum te Metz. Hun detentie wordt met 28 dagen verlengd. Op basis van artikel 39 van het Reglement vraagt het EHRM bij wijze van voorlopige maatregel aan de Franse autoriteiten om een einde te maken aan de administratieve detentie van verzoekers. Zeven dagen later, informeert de gemachtigde van de regering dat verzoekers die ochtend naar Georgië zijn overgebracht.

 

Schending artikel 3 EVRM voor detentie kind

 

Het EHRM merkt op dat het centrum Metz-Queuleu één van de centra is waar gezinnen mogen worden ondergebracht. In de eerdere zaak A.M. e.a. tegen Frankrijk heeft het EHRM geoordeeld a) dat de omroepingen via luidsprekers de gedetineerden blootstelden aan buitensporige geluidsniveaus, en (b) dat de binnenplaats van de gezinsruimte slechts door een metalen hek van de ruimte voor de andere gedetineerden is gescheiden waardoor alles wat zich daarbinnen afspeelt kan worden geobserveerd. Bovendien, hoewel er voorzieningen voor kinderen en baby's beschikbaar waren, was de veiligheidsdimensie steeds aanwezig in het administratief detentiecentrum.

 

Wat het criterium van de duur van de detentie betreft, hadden de nationale autoriteiten in eerste instantie alle nodige maatregelen genomen om de overbrenging zo snel mogelijk te laten verlopen en de duur van de administratieve hechtenis zo kort mogelijk te houden. Het feit dat verzoekers weigeren om aan boord van hun vlucht te gaan is niet doorslaggevend voor de vraag of de verboden strengheidsdrempel ten aanzien van de minderjarige was overschreden. De administratieve detentie van een achtjarig kind in de omstandigheden van het detentiecentrum, die veertien dagen heeft geduurd, was buitensporig. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de detentie hebben de rechters onvoldoende rekening gehouden met de aanwezigheid van het kind en zijn status als minderjarige. Gezien de jonge leeftijd van het kind, de omstandigheden van de detentie en de duur van de detentie, schendt de detentie van het kind artikel 3 EVRM.

 

Het EHRM oordeelt ook dat artikel 3 EVRM niet is geschonden met betrekking tot de ouders. Het erkent dat hun administratieve detentie met hun minderjarige kind een gevoel van machteloosheid, angst en frustratie kan hebben veroorzaakt, maar stelt dat hun klacht over hun lijden niet gegrond is.

 

Schending artikel 34 EVRM wegens niet uitvoering voorlopige maatregel

 

Op vrijdag 13 november 2020 stelt het EHRM de regering in kennis van de voorlopige maatregel die het heeft genomen met het oog op de beëindiging van de administratieve hechtenis van verzoekers in afwachting van de uitkomst van de bij het EHRM aanhangige procedure. Op 16 november 2020 is het EHRM in kennis gesteld van het feit dat de maatregel niet ten uitvoer is gelegd. Na verzoek tot reactie heeft de regering het EHRM pas op vrijdag 20 november 2020 meegedeeld dat verzoekers die dag waren verwijderd, waarmee een einde was gekomen aan hun detentie. De administratieve hechtenis werd pas zeven dagen na de kennisgeving van de voorlopige maatregel beëindigd. Bij gebreke van enige reden die de niet-uitvoering van de voorlopige maatregel rechtvaardigt hebben de autoriteiten niet voldaan aan de krachtens artikel 34 EVRM op hen rustende verplichtingen.