Hof van beroep
Gent
2015/EV/0030
Wettelijke samenwoning – negatief advies OM – art. 59, eerste lid juncto 42 WIPR – art. 58 WIPR – toepasselijke recht – art. 60 WIPR – Belgische recht van toepassing – art. 1476quater, vijfde lid BW – procedure op tegenspraak – geïnitieerde verhaal niet op tegenspraak gevoerd – ambtenaar van de burgerlijke stand niet betrokken - procedure ab initio onontvankelijk

Krachtens artikel 59, tweede lid WIPR kan de registratie van het sluiten van een relatie van samenleven in België alleen dan worden gedaan ingeval de partijen op het ogenblik van het sluiten een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben in België.

 

Gelet op deze administratieve bevoegdheid richtten X en Y zich terecht tot DE AMBTENAAR, die evenwel weigerde van hun verklaring tot wettelijke samenwoning melding te maken in het bevolkingsregister.

 

Krachtens artikel 59, eerste lid juncto 42 WIPR is de Belgische rechter internationaal bevoegd om van hun verhaal tegen deze weigeringsbeslissing kennis te nemen. Intern is de familierechtbank bevoegd (art. 572bis, sub 2° Ger.W.) en meer precies de familierechtbank te Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde (art. 629bis, § 3 Ger.W.).

 

Artikel 58 WIPR definieert het concept ‘relatie van samenleven’ als een toestand van samenleven die registratie bij een openbare overheid vraagt en tussen de samenwonende personen geen band schept die evenwaardig is aan het huwelijk. De Belgische ‘wettelijke samenwoning’ beantwoordt aan dit concept/deze definitie (J.-Y. Carlier, “Art. 58 WIPR”, in J. Erauw e.a. (eds.), Het WIPR becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 316-317).

 

Gelet op de verschillende nationaliteit van de partijen, rijst de vraag naar het toepasselijke recht. De wettelijke samenwoning behelst de staat van de personen, terwijl de wetgeving dienaangaande de openbare orde raakt.

 

Krachtens artikel 60 WIPR wordt de relatie van samenleven beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied zij voor het eerst is geregistreerd. Dit recht bepaalt inzonderheid de voorwaarden van de vaststelling van de relatie, de gevolgen van de relatie voor de goederen van de partijen, alsmede de oorzaken en de voorwaarden inzake de beëindiging van de relatie.

 

In casu speelt het Belgische recht.

 

(…)

 

In de lijn van voormelde elementen en de daarbij centraal gestelde rechterlijke controle moet worden opgeworpen dat het verhaal tegen een weigeringsbeslissing met toepassing van artikel 1476quater, vijfde lid BW een procedure op tegenspraak behelst tegen de ambtenaar van de burgerlijke stand (P. Senaeve, “Artt. 1476bis-1476quater BW”, Comm. Pers. 2014, 9, nr. 14).

 

Artikel 18 van de wet van 2 juni 2013 heeft artikel 587, eerste lid, sub 9° Ger.W. in die zin aangepast dat, net zoals bij verhaal tegen een weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand van huwelijksvoltrekking, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend zoals in kortgeding, bevoegd werd. Door (de artt. 128 en 131 van) de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank werd deze bepaling evenwel opgeheven en werd de bevoegdheid dienaangaande overgeheveld naar de familierechtbank (art. 572bis, sub 2° Ger.W.). Overeenkomstig artikel 1253ter/4, § 2, eerste lid, sub 6° Ger.W. behoort deze procedure tot de vorderingen voor de familierechtbank die geacht worden spoedeisend te zijn. De vordering kan worden ingeleid hetzij bij dagvaarding, hetzij bij verzoekschrift op tegenspraak. Zo de zaak bij dagvaarding wordt ingeleid, is de bij artikel 1035, tweede lid Ger.W. bedoelde termijn van dagvaarding van toepassing, namelijk ten minste twee dagen (art. 1253ter/4, § 2, derde lid Ger.W.). Zo de zaak bij verzoekschrift op tegenspraak wordt ingeleid, moet de inleidende zitting plaatshebben binnen vijftien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift ter griffie (art. 1253ter/4, § 2, vierde lid Ger.W.). De uitspraak wordt gedaan volgens de vormvoorschriften van de procedure als in kortgeding (art. 1253ter/4, § 2, tweede lid Ger.W.), maar de familierechtbank doet uitspraak ten gronde en niet bij voorraad.

 

Zoals uitvoerig besproken ter terechtzitting van 10 september 2015 met voortzetting ter terechtzitting van 5 november 2015, is het bij verzoekschrift van 27 oktober 2014 geïnitieerde verhaal van X en Y niet op tegenspraak gevoerd en derhalve ab initio onontvankelijk.

 

DE AMBTENAAR is ten onrechte niet betrokken.

 

Het hoger beroep kan niet slagen.