Hof van beroep
Gent
2011/AR/2912
Nationaliteit – nationaliteitsverklaring – artikel 12bis WBN (oud) –advies OM – ‘eindpunt’ termijn van 4 maanden

Krachtens art. 12bis, § 2, vijfde lid WBN (oud) kan de procureur des Konings een negatief advies "uitbrengen" inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit binnen een termijn van vier maanden te rekenen van de verklaring afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand (behoudens uitzondering van verlenging). Art. 12bis, § 2, achtste lid WBN (oud) bepaalt dat, bij het verstrijken van de termijn van vier maanden, de verklaring ambtshalve wordt ingeschreven en vermeld zoals nader bepaald. De termijn wordt berekend overeenkomstig art. 48 e.v. Ger.W. 

Over de aanvang van de termijn bestaat sedert de wet van 27 december 2006 geen betwisting meer, hetzij wetshalve de datum van de nationaliteitsverklaring zelf en in casu dus 15 december 2010. Voorheen had het Hof van Cassatie (Cass. 14 april 2005 nr. C.04.0205.F/l ) geoordeeld dat de termijn (toen van een maand), binnen dewelke een negatief advies kon worden uitgebracht, een aanvang nam vanaf de dag van de ontvangstmelding door het openbaar ministerie van de nationaliteitsverklaring (en niet vanaf de dag van de overzending zelf). 

De vraag die zich in onderhavige zaak evenwel stelt is deze naar het einde van de termijn, meer in het bijzonder de vraag of de datum van de dagtekening van het negatief advies (te dezen donderdag 14 april 2011) bepalend is, dan wel de dag van het "betekenen" ervan, zoals appellante voorhoudt (te dezen maandag 18 april 2011). Zoals hierna blijkt kan voormelde rechtspraak van het hof van cassatie bezwaarlijk van overeenkomstige toepassing zijn. 

De wijze van het "uitbrengen" van het negatief advies, zoals voorgeschreven in art. 12bis, § 2, vijfde lid WBN (oud), wordt vooreerst nader bepaald in art. 12bis § 3, eerste lid WBN (oud). Het negatieve advies moet met redenen zijn omkleed. Het wordt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en, bij een ter post aangetekende brief, aan de belanghebbende "betekend" door toedoen van de procureur des Konings. 

Ingevolge art. 12bis, § 2, achtste lid WBN (oud), wordt bovendien een sanctie voorzien bij het verstrijken van de termijn van vier maanden door de procureur des Konings in die zin dat de nationaliteitsverklaring ambtshalve wordt ingeschreven en vermeld. De verklaarder verwerft dan de Belgische nationaliteit op het moment van de inschrijving. 

De Omzendbrief van 20 juli 2000 tot aanvulling van de Omzendbrief van 25 april 2000 inzake de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit (BS 27 juli 2000 tweede uitgave) bepaalt tenslotte onder punt 7 ("Kennisgeving van het negatief advies door de procureur des Konings") dat elk door de procureur des Konings uitgebracht negatief advies in het kader van een procedure nationaliteitsverklaring door zijn toedoen "tegelijkertijd" aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en, bij een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding aan de belanghebbende dient te worden betekend. Er wordt daarbij benadrukt dat deze werkwijze een fundamenteel belang heeft doordat de ambtenaar van de burgerlijke stand dan precies weet wanneer de termijn van vijftien dagen begint te lopen voor eventuele overzending aan de bevoegde rechtbank van eerste aanleg.

Naar het oordeel van het hof dient - op grond van voormelde wettelijke bepalingen en redengeving en mede om redenen van rechtszekerheid met het oog op het verkrijgen van een vaste datum – te worden aangenomen dat het negatief advies van het openbaar ministerie, waarvan niet is bewezen dat het werd betekend voor het verstrijken van de termijn, onontvankelijk is, zoals ook onder de vroegere wetgeving een laattijdige akte van verzet (zie CLOSSET, c.L., Traite de la nationalite en droit beige, Brussel, Larder, 2004, p.546, nr. 388 met verwijzing naar voetnoot 4; Luik, 14 oktober 1997, A.J.T., 1998-199, 316-317 met noot LAMBEIN, K.).

De termijn van vier maanden vanaf de nationaliteitsverklaring van 15 december 2010 verstreek op uiterlijk 15 april 2011 (art. 54 Ger.W.). Het negatief advies van het openbaar ministerie, weliswaar gedagtekend op 14 april 2011, werd, bij eveneens op 14 april 2011 gedagtekende brief, evenwel niet op die datum "betekend" - hetzij aangetekend verzonden aan de belanghebbende - maar volgens poststempel van de aangetekende zending pas op 18 april 2011, hetzij na het verstrijken van de termijn. De datum van het effectief verzenden (poststempel) aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de op 14 april 2011 gedateerde brief is, op grond van de dossierstukken, niet te achterhalen. Het besluit van de onontvankelijkheid van het negatief advies dringt zich noodzakelijkerwijze op zodat de verklaring ambtshalve wordt ingeschreven en vermeld. 

Appellante slaagt in haar hoger beroep. Het negatief advies van het openbaar ministerie is onontvankelijk. De Belgische Staat wordt verwezen in de kosten van beide instanties. Het hof wijst de andersluidende conclusies van de hand als overbodig of ter zake niet dienstig of ontoereikend.