Hof van Cassatie
S.18.0004.N
OCMW – dringende medische hulp – onwettig verblijvende vreemdeling – art. 57, § 2, 1° OCMW-wet – borgstelling stelt OCMW niet vrij van deze verplichting – gegrond – cassatie

Uit deze wetsbepalingen volgt dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de bedoelde dringende medische hulp dient te verstrekken aan de vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft, indien blijkt dat deze zonder die tussenkomst geen leven kan leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

 

De enkele omstandigheid dat een derde zich borg heeft gesteld voor de bedoelde vreemdeling voor de kosten van een zorgenverstrekker of verzorgingsinstelling, belet niet dat die schuld in hoofde van die vreemdeling als hoofdschuldenaar blijft bestaan en stelt het openbaar centrum niet vrij van zijn verplichting tussen te komen voor de betaling van de bedoelde dringende medische hulp.

 

Het arrest dat oordeelt dat door de ondertekening van de borgstelling de zoon van de eiseres de verplichting op zich heeft genomen om de medische kosten van de opname van zijn moeder in het ziekenhuis in de betwiste periode te betalen en dat hierdoor de verweerder geen steun dient te verlenen omdat “het verlenen van dringende medische hulp, wat een vorm is van maatschappelijke dienstverlening, residuair is en het OCMW derhalve enkel moet tussenkomen indien niemand anders deze kosten betaalt”, is niet naar recht verantwoord.