Hof van Cassatie
P.14.1374.F
MB tot terugwijzing – detentie - verzoek tot invrijheidstelling – ontvankelijk en gegrond verklaard - art. 31 Voorlopige Hechteniswet - art. 72 Vw. – hoedanigheid Belgische staat om cassatieberoep in te stellen – machtsoverschrijding – art. 19 Ger. W. – gegrond - cassatie

Artikel 72, vierde lid, van de wet van 15 juni 1980, sinds de wijziging ervan bij artikel 6, 2°, van de wet van 10 juli 1996 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 en bij artikel 204, 2°, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, staat de minister of zijn gemachtigde toe om hoger beroep in te stellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer die uitspraak doen over een verzoek tot invrijheidstelling.

 

Daaruit volgt dat het hoger beroep van de Belgische Staat hetzelfde doel heeft als het hoger beroep dat het openbaar ministerie kan instellen, vermits het strekt tot handhaving van de administratieve beslissing van vrijheidsberoving gekoppeld aan een bevel om het grondgebied te verlaten. Aangezien de Belgische Staat aldus niet kan worden gelijkgesteld met een burgerlijke partij, heeft hij net als het  openbaar ministerie de hoedanigheid om cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling die de invrijheidstelling van de vreemdeling beveelt.

 

Ten slotte ontzegt de omstandigheid dat de Belgische Staat geen partij was voor de instantie in hoger beroep, laatstgenoemde niet de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen.

 

(…)

 

Het middel verwijt het arrest dat het de beslissing van 14 juli 2014 tot verlenging van de vasthouding van de verweerder onwettig verklaart wegens de onwettigheid van het bevel van 15 mei 2014 om het grondgebied te verlaten, aangezien dat bevel gegrond is op een onwettig ministerieel besluit van terugwijzing, ofschoon de kamer van inbeschuldigingstelling reeds bij arrest van 25 juni 2014 uitspraak had gedaan over de wettigheid van dat bevel om het grondgebied te verlaten.

 

De kamer van inbeschuldigingstelling, die uitspraak deed over het verhaal van de verweerder tegen de jegens hem op 15 mei 2014 genomen maatregel van vrijheidsberoving, heeft in haar arrest van 25 juni 2014 geoordeeld dat het bevel van 15 mei 2014 om het grondgebied te verlaten waarop de vrijheidsberovende maatregel was gegrond, overeenkomstig de wet was genomen.

 

Aangezien de kamer van inbeschuldigingstelling reeds definitief over dat punt uitspraak had gedaan, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling haar macht overschreden en artikel 19 Gerechtelijk Wetboek geschonden door opnieuw de wettigheid te onderzoeken van het bevel van 15 mei 2014 om het grondgebied te verlaten, naar aanleiding van het hoger beroep tegen de verlenging van de vrijheidsberovende maatregel.