Hof van Cassatie
p.12.0749.F
Detentie – beroep – controle door onderzoeksgerechten - art. 7, derde lid Vw. – noodzakelijkheid - subsidiariteit – risico op onderduiken – cassatieberoep verworpen

In strijd met wat het middel aanvoert, beperkt de aan het toezicht van het onderzoeksgerecht voorgelegde beslissing zich niet ertoe te vermelden dat het verantwoord is de eiseres vast te houden op grond dat zij, vermits zij op het ogenblik van haar aanhouding over geen enkel identiteitsdocument beschikte, dient opgesloten te worden om haar nationale overheid in staat te stellen een reistitel te verlenen.

De beslissing vermeldt ook dat de eiseres in België verblijft zonder geldig visum, dat haar op 29 maart 2010 en 11 mei 2011 kennis was gegeven van twee bevelen om het grondgebied te verlaten, dat zij opnieuw werd gecontroleerd terwijl zij op onwettige wijze in het land verbleef en dat, ondanks de eerdere kennisgeving van een maatregel tot verwijdering, het weinig waarschijnlijk is dat zij vrijwillig aan die nieuwe maatregel gevolg zou geven.

Op grond van die vermeldingen en zonder toevoeging van eigen redenen, oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling dat de administratieve beslissing het in artikel 7, derde lid, bepaalde subsidiariteitsbeginsel had geëerbiedigd. Het arrest verantwoordt zijn beslissing dus naar recht.

Wanneer de minister, in de beslissing tot vrijheidsberoving op concrete wijze de omstandigheden vermeldt die de maatregel verantwoorden in het licht van de bij artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet vereiste strikte noodzakelijkheid, omkleedt de minister die beslissing met redenen, overeenkomstig artikel 62 van die wet. Geen enkele bepaling leg! hem bovendien de verplichting op om de redenen uiteen te zetten waarom hij van oordeel is dat een minder dwingende maatregel ongeschikt zou zijn om dat doel te bereiken.