Hof van Cassatie
P.14.0410.N
Uitlevering – asielzoeker – Turkije – declaratieve erkenning als vluchteling - non-refoulement – art. 3 EVRM – art. 7.1 van de richtlijn 2005/85/EG – niet in alle gevallen verplicht uitlevering te weigeren – art. 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874 – flagrante rechtsweigering – art. 5 en 6 EVRM – drempel van ernst – proportionaliteit – verwerping

Het eerste onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de hoedanigheid van politiek vluchteling pas verworven is vanaf de daadwerkelijke erkenning en de betrokkene pas vanaf dan kan genieten van het principe van nonrefoulement; een persoon kan zich op het vluchtelingenstatuut beroepen vanaf de datum van zijn aanvraag van dat statuut en niet vanaf de datum van de declaratieve erkenning als vluchteling; herhaalde en constante gezaghebbende interpretaties van het principe van non-refoulement bevestigen dat kandidaat-vluchtelingen genieten van de bescherming van dat principe.

 

Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat kandidaat-vluchtelingen zich enkel kunnen beroepen op de non-discriminatieclausule; op grond van die reden kan de toepassing van het principe van non-refoulement niet geweigerd worden aan een kandidaat-vluchteling.

 

Het derde onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat het bovendien tot de mogelijkheden van de regering behoort om met het oog op de uiteindelijke beslissing inzake uitlevering, een definitieve beslissing omtrent de erkenning van politiek vluchteling af te wachten.

 

Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

 

Artikel 1.A.1 Vluchtelingenverdrag bepaalt welke personen onder meer de hoedanigheid van vluchteling volgens dit verdrag hebben.

 

Krachtens artikel 31.1 Vluchtelingenverdrag mogen de verdragsluitende Staten geen strafsancties toepassen op de daar bedoelde vluchtelingen op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf.

 

Artikel 33.1 van dat verdrag bepaalt dat geen van de verdragsluitende Staten, op welke wijze ook, een vluchteling zal uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.

 

Krachtens artikel 48 Vreemdelingenwet kan als vluchteling worden erkend, de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde gesteld worden door de internationale overeenkomsten die België binden.

 

Artikel 7.1 van de richtlijn 2005/85/EG bepaalt: “Asielzoekers mogen in de lidstaat blijven, louter ten behoeve van de procedure, totdat de beslissingsautoriteit overeenkomstig de in hoofdstuk III uiteengezette procedures in eerste aanleg een beslissing heeft genomen. Dit recht om te blijven houdt niet in dat de betrokkene recht heeft op een verblijfsvergunning.”

 

Krachtens artikel 21.1 van de richtlijn 2004/83/EG moeten de lidstaten het beginsel van non-refoulement eerbiedigen met inachtneming van hun internationale verplichtingen. Artikel 21.1 van de richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011, waarvan artikel 40 de richtlijn 2004/83/EG intrekt vanaf 21 december 2013, bevat eenzelfde bepaling.

 

Die bepalingen noch enige andere verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling verplichten België in alle gevallen de uitlevering te weigeren van een persoon die het land dat zijn uitlevering vraagt, is ontvlucht en die in een ander land een verzoek tot erkenning als vluchteling heeft ingediend.

 

De onderdelen die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen naar recht.