Hof van Cassatie
C.19.0159.N
Nationaliteit – nationaliteitsverklaring – gewichtige feiten eigen aan de persoon – art. 15, § 3n eerste lid WBN – opsomming in art. 1, § 2, 4° WBN en art. 2 KB 14 januari 2013 is niet exhaustief - valse identiteit – verwerping

Artikel 15, § 3, eerste lid, Wetboek Belgische Nationaliteit bepaalt dat de procureur des Konings een negatief advies uitbrengt wanneer er een beletsel is wegens gewichtige feiten eigen aan de persoon. Ter verduidelijking geven artikel 1, § 2, 4°, van dit wetboek, in zijn toepasselijke versie, en in artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 een opsomming van dergelijke omstandigheden.

 

Deze opsomming is niet exhaustief, maar heeft slechts de bedoeling een aantal gevallen te vermelden die zonder meer een beletsel vormen om de Belgische nationaliteit te verkrijgen.

 

Bij de beoordeling van het begrip “gewichtige feiten eigen aan de persoon” dient te worden gelet op de moraliteit van de kandidaat-Belg evenals naar zijn respect voor de Belgische wetten en  normen die in bepaalde gevallen een beletsel vormen voor het verwerven van de Belgische nationaliteit.

 

Staat het aan de feitenrechter te oordelen of er sprake is van “gewichtige feiten eigen aan de persoon”, dan oefent het Hof hierop een marginaal toezicht uit.

 

De appelrechter die vaststelt dat de eiser door de luchtvaartpolitie werd onderschept toen hij gebruik maakte van een paspoort met valse identiteit en die oordeelt dat “het binnenkomen in een rechtstaat onder valse identiteit en gebruik makend van vervalste documenten, getuigt van een gebrek aan respect voor de Belgische wetten en regelgeving en voor de Belgische samenleving” en dat “dergelijke identiteitsfraude getuigt van een foutieve ingesteldheid” en die op die gronden oordeelt dat het hoger beroep van het openbaar ministerie gegrond is, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

 

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.