Hof van Justitie
C-290/14
(Skerdjan Celaj) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Richtlijn 2008/115/EG – Terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders – Terugkeerbesluit dat gepaard gaat met een voor een periode van drie jaar geldend inreisverbod – Overtreding van het inreisverbod – Voorheen verwijderde derdelander – Gevangenisstraf in geval van een nieuwe illegale binnenkomst van het nationale grondgebied – Verenigbaarheid

Deze zaak betreft een Albanese verzoeker die in 2011 in Italië door de politie werd aangehouden wegens poging tot diefstal met geweld. In 2012 werd tegen hem een uitzettingsbevel en verwijderingsbesluit uitgevaardigd, gekoppeld met een voor drie jaar geldend inreisverbod.

 

Desondanks kwam de verzoeker in 2014 opnieuw het Italiaanse grondgebied binnen, waar hij werd gearresteerd door de politie. Vervolgens vorderde het Italiaanse openbaar ministerie de oplegging van een gevangenisstraf van acht maanden wegens overtreding van het inreisverbod.

 

De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie of richtlijn 2008/115[1] zich verzet tegen een regeling waarbij een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een illegaal verblijvende derdelander die, nadat hij in het kader van een eerdere terugkeerprocedure naar zijn land van herkomst was teruggekeerd, in weerwil van een inreisverbod opnieuw illegaal het grondgebied van die staat binnenkomt.

 

Om te beginnen brengt het Hof in herinnering dat richtlijn 2008/115 enkel betrekking heeft op de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders en dus niet beoogt alle voorschriften inzake het verblijf van vreemdelingen te harmoniseren. Bijgevolg verzet die richtlijn zich er in beginsel niet tegen dat de nieuwe illegale binnenkomst van een derdelander, in weerwil van een inreisverbod, als strafbaar feit wordt aangemerkt.

 

Het Hof voegt hier evenwel aan toe dat een lidstaat geen strafrechtelijke regeling mag toepassen die de verwezenlijking van de door die richtlijn nagestreefde doelstellingen in gevaar kan brengen. Dit is volgens vaste rechtspraak het geval indien een lidstaat, na te hebben vastgesteld dat het verblijf van de derdelander illegaal is, de vaststelling of uitvoering van het terugkeerbesluit laat voorafgaan door een strafrechtelijke vervolging die ertoe kan leiden dat tijdens de terugkeerprocedure een gevangenisstraf wordt opgelegd.

 

Deze zaak betreft evenwel een andere situatie, aangezien de verzoeker, na de vaststelling van zijn eerste illegale verblijf, opnieuw het grondgebied is binnengekomen, in weerwil van het hem opgelegde inreisverbod. Volgens het Hof van Justitie verzet richtlijn 2008/115 zich er niet tegen dat in een dergelijke situatie strafrechtelijke sancties worden opgelegd aan de betrokken derdelander.

 

Wel mogen strafrechtelijke sancties enkel worden opgelegd indien het tegen die derdelander uitgevaardigde inreisverbod in overeenstemming is met artikel 11 van die richtlijn. Het staat aan de verwijzende rechter dit na te gaan.

 

Bovendien benadrukt het Hof dat bij het opleggen van dergelijke strafrechtelijke sanctie de grondrechten volledig moeten worden geëerbiedigd, in het bijzonder deze die zijn gewaarborgd door het EVRM en, in voorkomend geval, het Verdrag van Genève, met name artikel 31, lid 1, daarvan.




[1] Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348, blz. 98).