Hof van Justitie
C-802/18
(Caisse pour l’avenir des enfants t. FV en GW) Prejudiciële verwijzing – Artikel 45 VWEU – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 1, onder i) – Vrij verkeer van werknemers – Gelijke behandeling – Sociale voordelen – Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 2, punt 2 – Verordening (EU) nr. 492/2011 – Artikel 7, lid 2 – Kinderbijslag – Begrip ,gezinsleden’ – Uitsluiting van het kind van de echtgenoot van een niet-ingezeten werknemer – Verschil in behandeling met het kind van de echtgenoot van ingezeten werknemers – Rechtvaardiging

De zaak Caisse pour l’avenir des enfants gaat over de weigering van het betalen van kinderbeslag aan een grensarbeider voor het kind van de echtgenoot wanneer er geen afstammingsband bestaat tussen de grensarbeider en het kind. FV, wonende in Frankrijk en werkende in Luxemburg, kreeg als grensarbeider van de Luxemburgse bevoegde autoriteit geen kinderbijslag meer voor HY, het kind uit de vorige relatie van zijn echtgenote GW. Het beroep hiertegen ingesteld door FV werd gegrond verklaard, maar hiertegen werd hoger beroep ingediend door de bevoegde Luxemburgse autoriteit. Het arrest Depesme (C-401/15 tot en met C-403/15, EU:C:2016:955) indachtig, richtte de verwijzende rechter een prejudiciële verwijzing tot het Hof. Op basis hiervan diende het Hof enerzijds na te gaan of kinderbeslag kan worden beschouwd als een sociaal voordeel in de zin van artikel 45 VWEU en artikel 7, lid 2, Verordening 492/2011 en anderzijds of kinderen van de echtgenoot van een grensarbeider waarmee deze laatste geen afstammingsband heeft aanspraak kunnen maken op kinderbeslag van de lidstaat waarin de grensarbeider te werk is gesteld, wanneer die lidstaat voorziet in de betaling van kinderbijslag aan alle kinderen aldaar woonachtig.

Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, stelde het Hof dat het vrij verkeer van werknemers een verbod van elke vorm van discriminatie vaststelt overeenkomstig artikel 45, lid 2, VWEU. Dit is verder uitgewerkt voor wat betreft de toekenning van sociale voordelen conform artikel 7, lid 2, Verordening 492/2011. Dit laatste is zowel van toepassing op migrerende werknemers als op grensarbeiders. Alle voordelen die ‘in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend (…) en waarvan de uitbreiding tot werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Unie, en bijgevolg hun integratie in het gastland, te vergemakkelijken’ worden als sociale voordelen beschouwd. Aangezien kinderbijslag een voordeel vormt dat verbonden is aan het verrichten van arbeid in loondienst in Luxemburg, is het Hof van oordeel dat kindertoeslag een sociaal voordeel is in de zin van artikel 7, lid 2, Verordening 492/2011.

Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, onderzocht het Hof het materiële toepassingsgebied van Verordening 883/2004 om na te gaan of de kinderbijslag binnen dit toepassingsgebied valt. Dit dient te worden beoordeeld op grond van de constitutieve elementen van elk van de uitkering. Meer bepaald zal een uitkering worden beschouwd als een socialezekerheidsuitkering wanneer de uitkering enerzijds wordt toegekend zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften en anderzijds verband houdt met een van de eventualiteiten opgesomd in artikel 3, lid 1, Verordening 883/2004. De kinderbijslag wordt uitgekeerd voor alle kinderen die in Luxemburg wonen en voor alle kinderen van niet-ingezeten werknemers die een afstammingsband hebben met deze werknemer. Bijgevolg wordt de uitkering toekend op grond van een wettelijk omschreven situatie, los van elke individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften en kan de kinderbijslag beschouwd worden als een socialezekerheidsuitkering in de zin van artikel 3, lid 1, Verordening 883/2004.

Aangezien deze kinderbijslag dus valt onder artikel 7, lid 2, Verordening 492/2011 en artikel 3, lid 1, Verordening 883/2004, stelt het Hof dat de tweede prejudiciële vraag dus dient te worden beantwoord vanuit het licht van beiden bepalingen. Hoewel Verordening 883/2004 het aan het nationaal recht over laat om te bepalen wie een rechthebbende op gezinsbijslag uitmaakt, moet de uitoefening van deze bevoegdheid in overeenstemming zijn met het EU-recht en het vrij verkeer van werknemers in het bijzonder. Daarom moet worden onderzocht of de nationale bepaling omtrent de toekenning van de gezinsbijslag in overeenstemming is met dit vrij verkeer.

Op basis van voorgaande rechtspraak omtrent artikel 7, lid 2, Verordening 492/2011 wordt zowel de echtgenoot of de door het nationale recht erkende partner van de werknemer als de bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die ten laste van de werknemer en zijn echtgenoot of partner beschouwd als zijnde de gezinsleden die indirect aanspraak maken op de gelijke behandeling voorzien in Artikel 7, lid 2, Verordening 492/2011. Aangezien het erop lijkt dat FY voorziet in het onderhoud, zal het Hof dus vervolgens moeten nagaan of er sprake is van discriminatie. Zowel directe als indirecte discriminatie op grond van nationaliteit is verboden.In casu sprake was van een indirecte discriminatie op basis van nationaliteit, aangezien er een onderscheid gemaakt wordt op basis van nationaliteit. Zo zullen alleen de kinderen van niet-ingezeten werknemers kinderbijslag krijgen wanneer er een afstammingsband is met de werknemer, terwijl het van toepassing is op alle kinderen woonachtig te Luxemburg. Indirecte discriminatie kan echter worden gerechtvaardigd indien het geschikt is om de verwezenlijking van een legitieme doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken. De onredelijke last voor het Luxemburgse stelsel van gezinsbijslagen kan worden beschouwd als een legitiem doel. Toch is het niet gerechtvaardigd aangezien Luxemburg zelf een ruime toepassing heeft gegeven met het toekennen van kinderbijslag aan alle kinderen woonachtig te Luxemburg. Bijgevolg beslist het Hof dat het niet toekennen van kinderbijslag aan een kind van de echtgenoot van de niet-ingezeten werknemer waarmee geen afstammingsband in strijd is met artikel 7, lid 2, Verordening 492/2011, gelet op het feit dat het wel toegekend worden aan alle kinderen woonachtig in Luxemburg.