Hof van Justitie
C-546/19
(BZ t. Westerwaldkreis) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Immigratiebeleid – Terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen – Richtlijn 2008/115/EG – Artikel 2, lid 1 – Werkingssfeer – Onderdaan van een derde land – Strafrechtelijke veroordeling in de lidstaat – Artikel 3, punt 6 – Inreisverbod – Redenen van ‘openbare orde’ en ‘openbare veiligheid’ – Intrekking van het terugkeerbesluit – Wettigheid van het inreisverbod

De zaak BZ t. Westerwaldkreis betreft de uitlegging van richtlijn 2008/115 van het Europees Parlement en de Raad van 16 December 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna richtlijn 2008/115). De zaak gaat over BZ die in Syrië is geboren en die sinds 1990 in Duitsland verblijft. Hoewel hij sinds 1990 verplicht is het grondgebied te verlaten, is hij op basis van een gedoogstatus ‘tijdelijke opschorting van verwijdering’ in Duitsland kunnen blijven wonen. Wegens een strafrechtelijke veroordeling tot een gevangenisstraf op grond van strafbare feiten van steun aan terrorisme, hebben de Duitse bevoegde autoriteiten de uitzetting van BZ bevolen, alsook een inreis- en verblijfverbod voor een duur van 6 jaar, nadien verminderd tot vier jaar, te rekenen vanaf het daadwerkelijke vertrek en een bevel om het grondgebied op straffe van verwijdering te verlaten. Dit laatste werd door de bezwaarcommissie ingetrokken, voor het overige werd het bezwaar afgewezen. Vervolgens kwam de zaak bij de hoogste bestuursrechter van de deelstaat Rijnland-Palts in hoger beroep, dewelke de nietigverklaring van de uitzettingsmaatregel en tot vaststelling van de duur van het inreis- en verblijfverbod verworpen. Uiteindelijk kwam de zaak voor de verwijzende rechter, de hoogste federale bestuursrechter, die besliste dat het uitzettingsbesluit definitief geworden is, en dat de zaak enkel nog betrekking had op de beslissing om de duur van het bij het opgelegde inreis- en verblijfsverbod terug te brengen tot vier jaar vanaf het daadwerkelijke vertrek. Daarbij stelde de verwijzende rechter ten eerste de vraag of dergelijk inreisverbod om redenen van openbare orde en openbare veiligheid binnen het toepassingsgebied van richtlijn 2008/115 valt, en ten tweede, als het binnen het toepassingsgebied valt, of de intrekking van het terugkeerbesluit leidt tot onrechtmatig worden van het gelijktijdig daarmee opgelegd inreisverbod?

Na kort de ontvankelijkheid van het geding te onderzoeken, gaat het Hof van Justitie over tot het beantwoorden van de prejudiciële vragen. Eerst en vooral is het van belang dat er wordt van uitgegaan dat Duitsland geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid geboden in artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/115 om de richtlijn niet toe te passen op onderdanen van derde landen die verplicht zijn tot terugkeer als strafrechtelijke sanctie of als gevolg van een strafrechtelijke sanctie overeenkomstig de nationale wetgeving.

Wat het toepassingsgebied van richtlijn 2008/115 betreft, stelt het Hof van Justitie dat de richtlijn van toepassing is op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Dit houdt in dat iedere derdelander die op het grondgebied van een lidstaat aanwezig is zonder te voldoen aan de voorwaarden voor toegang tot, dan wel verblijf of vestiging in die lidstaat, alleen al daardoor illegaal verblijft en dus binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt. De toepassing wordt dus uitsluitend bepaald door de situatie van illegaal verblijf waarin de derdelander zich bevindt, ongeacht de redenen die aan die situatie ten grondslag liggen of de maatregelen die tegen hem kunnen worden genomen. Bijgevolg is ook de richtlijn van toepassing is op een inreis- en verblijfsverbod dat is opgelegd aan een derdelander die om redenen van openbare orde en openbare veiligheid op grond van een eerdere strafrechtelijke veroordeling wordt uitgezet.

Wat dan vervolgens de eventuele onrechtmatigheid betreft van de handhaving van een inreis- en verblijfsverbod wanneer het door de lidstaat uitgevaardigde terugkeerbesluit is ingetrokken, stelt het Hof van Justitie dat een inreisverbod wordt geacht een terugkeerbesluit aan te vullen door de betrokkene te verbieden gedurende een bepaalde tijd na zijn terugkeer, en dus na zijn vertrek van het grondgebied, dat grondgebied opnieuw te betreden en er vervolgens te verblijven. Het Hof van Justitie beslist dat, op grond van een (con)tekstuele interpretatie van richtlijn 2008/115, een inreisverbod weliswaar slechts eigen rechtsgevolgen teweegbrengt na de vrijwillige of gedwongen tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit, maar kan het niet van kracht blijven nadat het terugkeerbesluit is ingetrokken. Bijgevolg kan een definitief uitzettingsbesluit niet rechtvaardigen dat een inreis- en verblijfsverbod van kracht blijft terwijl er geen terugkeerbesluit meer bestaat.