Hof van Justitie
C-451/19 en C-532/19
(Subdelegación del Gobierno en Toledo t. XU (C‑451/19), QP (C‑532/19)) Prejudiciële verwijzing – Artikel 20 VWEU – Burgerschap van de Europese Unie – Unieburger die nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer – Aanvraag voor een verblijfskaart voor een gezinslid dat onderdaan van een derde land is – Afwijzing – Verplichting van voldoende bestaansmiddelen voor de Unieburger – Samenwoonverplichting van de echtgenoten – Minderjarig kind, burger van de Unie – Nationale wettelijke regeling en praktijk – Effectief genot van de belangrijkste aan de Unieburgers toegekende rechten – Verlies daarvan

Het arrest in de gevoegde zaken Subdelegación del Gobierno en Toledo t. XU en QP betreft een prejudiciële beslissing omtrent de uitlegging van afgeleide verblijfsrechten op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De zaken betroffen de weigering van een verblijfskaart als gezinslid van een Unieburger, met name een minderjarig kind (C-451/91) en een vader en echtgenoot (C-532/19) van Spaanse onderdanen. In beide zaken werden de prejudiciële vragen gesteld door de Tribunal Superior de Justicia de Castilla-La Mancha.

Ten eerste onderzoekt het Hof de tweede prejudiciële vraag, met name of artikel 20 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat een verzoek om gezinshereniging, wanneer het wordt ingediend ten gunste van een derdelander die een gezinslid is van een Unieburger die de nationaliteit van deze lidstaat bezit en nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, afwijst op de enkele grond dat deze Unieburger voor zichzelf en dit gezinslid niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt zonder dat is onderzocht of tussen deze Unieburger en dit gezinslid een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat bij weigering van een afgeleid verblijfsrecht aan dit gezinslid, deze Unieburger gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten en aldus het effectieve genot zou verliezen van de belangrijkste rechten die hij aan zijn status van Unieburger ontleent. Het Hof merkt allereerst op dat het Unierecht in beginsel niet van toepassing is op een verzoek om gezinshereniging van een derdelander met een gezinslid dat onderdaan is van een EU-lidstaat en nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer. Bijgevolg staat het Unierecht er niet aan in de weg dat een lidstaat een regeling treft op grond waarvan een dergelijke gezinshereniging afhankelijk wordt gesteld van een voorwaarde inzake voldoende bestaansmiddelen.

Niettemin zijn er bijzondere situaties waarin een verblijfsrecht in een dergelijk geval moet worden toegekend, omdat aan het burgerschap van de Unie elk nuttig effect zou worden ontnomen indien die burger ten gevolge van de weigering om een dergelijk verblijfsrecht toe te kennen, genoodzaakt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten, waardoor hij het effectieve genot van de belangrijkste aan zijn status van Unieburger ontleende rechten zou verliezen (Ruiz Zambrano, C-34/09). Het Hof benadrukt dat er hier enkel sprake van kan zijn indien er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen de tussen die derdelander en de Unieburger, die een lid is van zijn familie, dat deze ertoe zou leiden dat laatstgenoemde gedwongen is de betrokken derdelander te vergezellen en het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten.

Het Hof stelt vast dat het uit artikel 20 VWEU voortvloeiende afgeleide verblijfsrecht weliswaar niet absoluut is, maar dat, indien aan een onderdaan van een derde land een afgeleid verblijfsrecht zou worden geweigerd op de enkele grond dat het familielid van de Unieburger niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt, in geval van een afhankelijkheidsverhouding, dit een schending zou vormen van het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, die onevenredig zou zijn in verhouding tot het nagestreefde doel, namelijk het veiligstellen van de overheidsmiddelen van de betrokken lidstaat.

Het Hof bepaalt vervolgens dat de lidstaten zich weliswaar mogen beroepen op een uitzondering op het afgeleide verblijfsrecht in verband met de handhaving van de openbare orde en de openbare veiligheid, maar dat een weigering niet uitsluitend mag worden gebaseerd op het bezit van een strafblad. Er dient een concrete beoordeling te worden verricht van de relevante omstandigheden van het individuele geval, waaronder de ernst van de gepleegde strafbare feiten en de ernst van de veroordelingen, het belang van het kind en de leeftijd, de gezondheid en de gezins- en economische situatie van dit kind. Concluderend oordeelt het Hof dat, voor het antwoord op de tweede vraag, artikel 20 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat een verzoek om gezinshereniging dat is ingediend namens een onderdaan van een derde land die gezinslid is van Unieburger die nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, afwijst op de enkele grond dat de burger niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt, zonder te hebben onderzocht of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat de weigering van een afgeleid verblijfsrecht de Unieburger ertoe zou dwingen het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten en deze aldus het effectieve genot zou verliezen van de belangrijkste rechten die hij aan zijn status van Unieburger ontleent.  

Vervolgens focust het Hof zich op de eerste vraag die betrekking heeft op de afhankelijkheidsverhouding, waarbij het de twee zaken afzonderlijk onderzoekt wegens de verschillende aard van de betrokken relaties. Wat de eerste zaak betreft, was het van belang dat op de datum waarop het verblijfsrecht van verzoekers werd geweigerd, niet alleen hun moeder, maar ook het andere kind van hun moeder, ook een Unieburger, door hun gedwongen vertrek gedwongen zou kunnen zijn het grondgebied van de Unie te verlaten. Het Hof merkt op dat het aan de verwijzende rechter is om deze hypothese te verifiëren, die, indien zij wordt geverifieerd, zou moeten leiden tot een afgeleid verblijfsrecht aan de halfbroer van deze Unieburger, dus de verzoeker in casu.

Op de eerste vraag in zaak C-451/19 antwoordt het Hof dus dat artikel 20 VWEU op de volgende wijze moet worden uitgelegd. Wanneer een Unieburger, die nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, een kind heeft met een onderdaan uit een derde land die reeds een kind had dat ook een onderdaan is van een derde land, is er sprake van een afhankelijkheidsverhouding die grond oplevert voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht voor dit laatstgenoemde minderjarig kind dat onderdaan is van een derde land, indien het kind dat werd geboren uit de verbintenis tussen de Unieburger en de derdelander dat nooit gebruikt heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer als Unieburger, verplicht zou zijn om het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten indien het minderjarig kind, dat onderdaan van een derde land is en zijn of haar halfbroer of -zus is, werd gedwongen om het grondgebied van de betrokken lidstaat te verlaten.

Met betrekking tot de tweede zaak heeft het Hof vastgesteld dat wanneer een minderjarige burger van de Unie duurzaam samenwoont met zijn twee ouders en het gezag over dit kind en de wettelijke, affectieve en financiële last van dit kind dagelijks door deze twee ouders worden gedeeld, op weerlegbare wijze kan worden vermoed dat er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen deze minderjarige Unieburger en zijn ouder. Vervolgens heeft het Hof op de eerste vraag in zaak C-532/19 geantwoord dat artikel 20 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat er van een afhankelijkheidsverhouding die grond oplevert voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht, niet reeds sprake is op de enkele grond dat de staatsburger van een lidstaat en zijn echtgenoot verplicht zijn samen te leven op grond van huwelijksverplichtingen. Bij de beoordeling van het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding in het belang van het kind moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.