Hof van Justitie
C-768/19
(Bundesrepublik Deutschland t. SE) Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk beleid inzake asiel en subsidiaire bescherming – Richtlijn 2011/95/EU – Artikel 2, onder j), derde streepje – Begrip ‚gezinslid’ – Meerderjarige die om internationale bescherming verzoekt op grond van een gezinsband met een minderjarige die reeds subsidiaire bescherming heeft verkregen – Datum die relevant is voor de beoordeling of de betrokkene ‚minderjarig’ is

De zaak Bundesrepublik Deutschland t. SE betreft een prejudiciële vraag over de interpretatie van artikel 2, onder j), derde streepje van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: “richtlijn 2011/95/EU”).

 

SE is een Afghaans staatsburger die in Duitsland asiel aanvroeg op grond van artikel 2, onder j), derde streepje richtlijn 2011/95/EU. Op grond van dit artikel kan de vader, moeder of een andere volwassene die volgens het recht of de praktijk van een lidstaat verantwoordelijk is voor de persoon die de internationale bescherming geniet verzoeken om internationale bescherming, op voorwaarde dat deze persoon minderjarig en ongehuwd is. De zoon van SE was eerder in Duitsland toegekomen en verkreeg daar de subsidiairebeschermingsstatus. Het verzoek van SE werd echter afgewezen omdat zijn zoon niet minderjarig was op het moment van de uitspraak over het verzoek van SE. Uiteindelijk kwam de zaak in cassatieberoep voor het Bundesverwaltungsgericht, dat een aantal prejudiciële vragen stelde aan het Hof van Justitie.

 

De eerste vraag was of de minderjarigheid van het kind moet bepaald worden op het moment van de uitspraak over het verzoek van de ouder, dan wel op het moment dat de ouder een verzoek indient. Aangezien richtlijn 2011/95/EU tot doel heeft een uniforme regeling van de subsidiaire bescherming in te voeren, besluit het Hof dat deze datum “in de gehele Europese Unie autonoom en op eenvormige wijze moet worden uitgelegd”. Lidstaten hebben hierover geen beoordelingsmarge. Op basis van artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie stelde het Hof verder dat deze datum moet geïnterpreteerd worden met het oog op “het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige”. Om deze redenen heeft het Hof geoordeeld dat de relevante datum voor het bepalen van de leeftijd van het kind, de datum is waarop de ouder het verzoek maakt.

 

In Duitsland bestaat de asielaanvraag uit twee stappen: het informele ‘doen’ van een verzoek, en het formeel ‘indienen’ van een verzoek. Het Hof bepaalt dat aangezien een persoon de “hoedanigheid van aanvrager van internationale bescherming” verkrijgt zodra hij een verzoek ‘doet’, het de datum is waarop “de asielverzoeker – eventueel op informele wijze – om asiel heeft verzocht” dat gebruikt moet worden om de minderjarigheid van het kind vast te stellen.

 

De derde prejudiciële vraag betrof de interpretatie van het begrip “gezinslid” in de zin van artikel 2, onder j), derde streepje richtlijn 2011/95/EU. De vraag rees immers bij het Bundesverwaltungsgericht  of men kon weigeren om de subsidiairebeschermingsstatus toe te kennen aan een ouder indien het gezinsleven tussen de ouder en het kind niet zou worden hervat na de toekenning van deze status. Het Hof stelt vast dat deze voorwaarde niet gesteld wordt in richtlijn 2011/95/EU en dat lidstaten deze voorwaarde dan ook niet mogen opleggen, omdat het aan de houders van het recht op een gezinsleven is om te bepalen op welke wijze zij hun gezinsleven wensen te leiden.

 

Als laatste vroeg het Bundesverwaltungsgericht of de rechten van de ouder automatisch ontnomen kunnen worden op het moment dat het kind meerderjarig wordt. Het Hof oordeelt dat “de aan die ouder verleende bescherming in geen geval onmiddellijk eindigt op de enkele grond dat het kind dat subsidiaire bescherming geniet meerderjarig wordt”. De verblijfstitel van de ouder in kwestie mag niet automatisch ingetrokken worden van zodra het kind meerderjarig wordt. Indien de verblijfstitel van bepaalde duur blijft doorlopen tot na het meerderjarig worden van het kind, kan deze niet worden stopgezet voor het verstrijken van deze duur.