Hof van Justitie
C-18/20
(XY, in tegenwoordigheid van: Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl) Prejudiciële verwijzing – Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming – Richtlijn 2013/32/EU – Artikel 40 – Volgend verzoek – Nieuwe elementen of bevindingen – Begrip – Omstandigheden die reeds bestonden vóór de definitieve beëindiging van een procedure die betrekking heeft op een vorig verzoek om internationale bescherming – Gezag van gewijsde – Eigen toedoen van de verzoeker

De zaak XY betreft de uitlegging van de procedure tot het indienen van een zogenaamd ‘volgend verzoek om internationale bescherming’ in de zin artikel 40 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: “richtlijn 2013/32/EU”). In casu werd een dergelijk ‘volgend verzoek’ ingediend door de Iraakse staatsburger XY bij de Oostenrijkse federale vreemdelingen- en asieldienst, het Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl, nadat zijn eerder verzoek om internationale bescherming definitief werd afgewezen. Ter ondersteuning van dit volgend verzoek voerde hij aan dat hij vreesde voor zijn leven in Irak omwille van zijn homoseksualiteit, wat hij verzwegen had in zijn eerste verzoek omdat hij destijds niet wist dat hij zonder gevaar voor zijn persoon hiervoor openlijk kon uitkomen in Oostenrijk. De Oostenrijkse asieldienst beoordeelde echter de seksuele geaardheid niet als een “nieuw element of bevinding” en stelde dat het gezag van gewijsde van de eerdere beslissing omtrent het eerste verzoek zicht verzette tegen een inhoudelijke beoordeling van het volgend verzoek. In het kader van de revisieprocedure bij de hoogste bestuursrechter in Oostenrijk werden drie prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

 

Ten eerste heeft de verwijzende rechter verzocht om een uitlegging van het begrip “nieuwe elementen of bevindingen” op basis waarvan een volgend verzoek kan worden ingediend op grond van art. 40, leden 2 en 3 richtlijn 2013/32/EU. Het Hof oordeelt dat dit begrip niet enkel elementen of bevindingen omvat die na de vaststelling van een beslissing van een vorig verzoek zijn ontstaan, maar ook elementen of bevindingen die nieuw zijn omdat zij voor het eerst door de verzoeker zijn voorgelegd. Uit de bewoordingen, de context en het doel van het desbetreffende artikel volgt immers dat er geen onderscheid wordt gemaakt naargelang het tijdstip waarop de nieuw aangevoerde elementen of bevindingen zich hebben voorgedaan.

 

Ten tweede verheldert het Hof de vraag van de verwijzende rechter of er voor de behandeling ten gronde van een volgend verzoek een nieuwe procedure moet worden geopend, dan wel of de heropening van de procedure die betrekking had op het vorig verzoek volstaat. Dit laatste komt terug in de Oostenrijkse wetgeving die richtlijn 2013/32/EU omzet. Het Hof wijst erop dat richtlijn 2013/32/EU niet voorziet in een procedureel kader voor de behandeling ten gronde van volgende verzoeken. Bijgevolg staat het de lidstaten vrij om degelijke procedurele bepalingen vast te stellen. Met andere woorden, art. 40, lid 3 richtlijn 2013/32/EU moet aldus worden uitgelegd dat de behandeling ten gronde van een volgend verzoek kan plaatsvinden in het kader van de heropening van de procedure die betrekking had op het eerste verzoek. Als voorwaarde stelt het Hof dat de ontvankelijkheidsvoorwaarden in acht worden genomen en dat de procedure verloopt in overeenstemming met de fundamentele beginselen en waarborgen van richtlijn 2013/32/EU. Dit verzoek mag echter niet afhankelijk worden gesteld van de inachtneming van vervaltermijnen, wat nochtans door de Oostenrijkse wetgeving werd voorgeschreven.

 

De derde prejudiciële vraag betrof de interpretatie van art. 40, lid 4 richtlijn 2013/32/EU, die bepaalt dat de lidstaten ervoor kunnen kiezen om de ontvankelijkheid van een volgend verzoek afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de verzoeker buiten zijn toedoen de nieuwe elementen of bevindingen niet heeft kunnen aanvoeren in het kader van het vorig verzoek. Het Hof wijst op het facultatief karakter van deze bepaling en benadrukt dat de nationale omzetting van de bepaling determinerend is. Aangezien vaststaande rechtspraak stelt dat een richtlijn zonder omzetting op zichzelf geen verplichtingen kan scheppen voor een particulier, concludeert het Hof dat deze ontvankelijkheidsvoorwaarde niet mag worden toegepast door een lidstaat die deze bepaling niet heeft omgezet in nationale wetgeving.