Hof van Justitie
C-91/20
(LW t. Bundesrepublik Deutschland) Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk beleid inzake asiel en subsidiaire bescherming – Normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten – Richtlijn 2011/95/EU – Artikelen 3 en 23 – Gunstiger normen die door de lidstaten kunnen worden gehandhaafd of vastgesteld om het recht op asiel of subsidiaire bescherming uit te breiden tot de gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet – Toekenning aan een minderjarig kind van de vluchtelingenstatus die is afgeleid van die van een van zijn ouders – Instandhouding van het gezin – Belang van het kind

In de zaak LW t. Bundesrepublik Deutschland verduidelijkt het Hof van Justitie van de Europese Unie artikel 3 en artikel 23, lid 2, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: “richtlijn 2011/95/EU”). De prejudiciële vraag rees in het kader van een geschil omtrent de weigering door het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (het Duitse federaal bureau voor migratie en vluchtelingen) van het verzoek om internationale bescherming van de LW, een minderjarig meisje met de Tunesische nationaliteit. LW is in 2017 in Duitsland geboren uit een Tunesische moeder en een Syrische vader, aan wie in 2015 de vluchtelingenstatus werd toegekend in Duitsland. In 2017 werd namens LW een verzoek om internationale bescherming ingediend door de moeder. Dit verzoek werd echter verworpen bij beschikking van het Duitse federale bureau voor migratie en vluchtelingen. Nadat het beroep tegen deze beschikking in eerste aanleg werd verworpen, stelde LW cassatieberoep in bij de hoogste Duitse federale bestuursrechter, de verwijzende rechter in het bodemgeschil.

Hoewel de verwijzende rechter oordeelt dat LW niet voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de vluchtelingenstatus op grond van een eigen recht, voldoet LW volgens de verwijzende rechter desalniettemin aan deze voorwaarden op grond van een afgeleid recht.  Onder het Duitse recht kan de vluchtelingenstatus van een ouder immers worden toegekend aan een ongehuwd minderjarig kind, ook indien zijn andere ouder de nationaliteit bezit van een derde land op het grondgebied waarvan het niet wordt vervolgd. De vraag rijst echter of een dergelijke uitlegging van het Duitse recht verenigbaar is met richtlijn 2011/95/EU. In essentie wenst de verwijzende rechter te vernemen of art. 3 en art. 23, lid 2 richtlijn 2011/95/EU verhinderen dat een lidstaat op grond van gunstiger nationale bepalingen deze afgeleide vluchtelingenstatus toekent met het oog op de instandhouding van het gezin.  

Allereerst bevestigt het Hof dat LW niet voldoet aan de voorwaarden om op grond van een eigen recht de vluchtelingenstatus te verkrijgen. LW kan immers genieten van een doeltreffende bescherming in Tunesië, het land waarvan zij de nationaliteit bezit, en voldoet dan ook niet aan de criteria in richtlijn 2011/95/EU, noch in het Verdrag van Genève. Verder stelt het Hof dat richtlijn 2011/95/EU, in tegenstelling tot het Duitse recht, as such niet voorziet in de mogelijkheid tot het uitbreiden van de vluchtelingenstatus tot de gezinsleden van een vluchtelingen op grond van een afgeleid recht.

Echter, het Hof verduidelijkt vervolgens dat art. 3 overweging 14 richtlijn 2011/95/EU de lidstaten toelaat om gunstiger normen vast te stellen om te bepalen wie als vluchteling wordt erkend, indien deze met richtlijn 2011/95/EU verenigbaar zijn. Deze voorwaarde van verenigbaarheid betekent dat de gunstiger normen dienen samen te hangen met de ‘logica van de internationale bescherming’ en de doelstellingen van richtlijn 2011/95/EU. Het Hof wijst vervolgens op een nauw verband tussen de bescherming van (de eenheid van) het gezin, wat aan de grondslag ligt van de Duitse wetgeving, en de logica van de internationale bescherming. Bijgevolg zijn deze Duitse gunstiger normen volgens het Hof dan ook verenigbaar met richtlijn 2011/95/EU. Tegelijkertijd onderstreepte het Hof echter dat uit artikel 23, lid 2 Kwalificatierichtlijn volgt dat de gunstiger normen niet onverenigbaar mogen zijn met de persoonlijke juridische status van het betrokken gezinslid. Het Hof preciseert dat dit het geval zou zijn indien zou blijken dat het kind ten gevolge van diens nationaliteit van de gastlidstaat of een andere nationaliteit recht heeft op een betere behandeling in die lidstaat dan die welke voortvloeit uit een uitbreiding van de toekenning van internationale bescherming op grond van deze gunstiger normen. Tenslotte oordeelt het Hof dat de toepassing van dergelijke gunstiger nationale bepalingen niet afhangt van de vraag of het mogelijk is en redelijkerwijs kan worden verlangd dat LW en haar ouders zich in Tunesië vestigen. Dit zou immers betekenen dat haar vader afstand zou moeten doen van het hem in Duitsland toegekende recht op asiel, wat ingaat tegen de bestaansreden van artikel 23 richtlijn 2011/95/EU.