Hof van Justitie
C-522/20
(OE t. VY) Prejudiciële verwijzing – Geldigheid – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid om kennis te nemen van een echtscheidingsverzoek – Artikel 18 VWEU – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje – Verschil in de verblijfsduur die vereist is om de bevoegde rechter te bepalen – Onderscheid tussen een ingezetene die onderdaan van de lidstaat van het aangezochte gerecht is en een ingezetene die geen onderdaan van die lidstaat is – Discriminatie op grond van nationaliteit – Geen

De zaak OE t. VY betreft een prejudiciële vraag over de geldigheid van artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/200 (hierna: Brussel IIbis-verordening). Een Italiaanse onderdaan OE, die reeds iets meer dan zes maanden in Oostenrijk woonde, had bij de Oostenrijkse rechter een verzoek ingediend tot ontbinding van zijn huwelijk met zijn Duitse echtgenote, met wie hij voorheen in Ierland woonde. Dit verzoek werd echter zowel in eerste aanleg als in hoger beroep afgewezen op grond van het oordeel dat de Oostenrijkse gerechten niet bevoegd waren om kennis te nemen van dit verzoek.

De Brussel IIbis-verordening schrijft immers voor dat de gerechten slechts bevoegd zijn voor een echtscheidingsverzoek ingediend door een onderdaan van een andere lidstaat dan de forumstaat indien deze onderdaan gedurende ten minste één jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van dit verzoek op het grondgebied van de forumstaat heeft verbleven. OE betoogde echter dat de vereiste verblijfsduur slechts ten minste zes maanden had moeten bedragen, wat de vereiste verblijfsduur is in de omstandigheden waarin degene die verzoekt om een ontbinding van het huwelijk de nationaliteit van de betrokken lidstaat heeft. Het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk), waarbij OE vervolgens opnieuw beroep had ingesteld, had twijfels over de verenigbaarheid van het uit de Brussel IIbis-verordening voortvloeiende verschil in behandeling op het vlak van vereiste minimumduur van verblijf met het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, gewaarborgd door artikel 18 Verdrag betreffende de Werking van de EU (hierna: “VWEU”).

Met verwijzing naar eerdere rechtspraak verduidelijkt het Hof ten eerste dat de bevoegdheidsregels van artikel 3 van de Brussel IIbis-verordening onder meer beogen te waarborgen dat er een reële band bestaat tussen de verzoeker en de lidstaat waarvan de gerechten bevoegd zijn om te beslissen over de ontbinding van het betrokken huwelijk. Het Hof oordeelt vanuit het oogpunt van dit doel dat een verzoeker die onderdaan is van die lidstaat en die wegens de ontbinding van zijn huwelijk de gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van het echtpaar verlaat en besluit naar zijn land van herkomst terug te keren, zich in beginsel niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van een verzoeker die niet de nationaliteit van die lidstaat bezit en die pas na een huwelijkscrisis naartoe verhuist.  

Het Hof stelt vervolgens dat een onderdaan van deze lidstaat noodzakelijkerwijs institutionele en juridische banden met deze lidstaat heeft, en in de regel ook culturele, sociale, vermogensrechtelijke, taalkundige of familiebanden. Een dergelijke band kan volgens het Hof reeds op zichzelf bijdragen tot de vaststelling van de vereiste reële band tussen de verzoeker en deze staat. Bovendien waarborgt deze band voor de andere echtgenoot een zekere rechtszekerheid, in die zin dat hij kan verwachten dat een echtscheidingsverzoek eventueel bij de rechterlijke instanties van die lidstaat aanhangig kan worden gemaakt.

Volgens het Hof is het dan ook niet kennelijk ongeschikt dat de Uniewetgever met een dergelijke band rekening heeft gehouden toen hij de vereiste minimumperiode van daadwerkelijk verblijf van de verzoeker op het grondgebied van de betrokken lidstaat heeft vastgesteld. Met andere woorden, aangezien het bezit van de nationaliteit van de betrokken lidstaat bijdraagt tot het waarborgen van een reële band met die staat, is het niet kennelijk ongeschikt om in dergelijke omstandigheden een minimumperiode van gewone verblijfplaats op het nationale grondgebied van zes maanden in plaats van één jaar te eisen. De periode van verblijf die de rechterlijke instanties van een lidstaat nodig hebben om hun bevoegdheid uit te oefenen om kennis te nemen van een verzoek tot echtscheiding, kan naar gelang van de nationaliteit van de verzoeker dus legitiem verschillen. Het in artikel 18 VWEU neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit verzet zich volgens het Hof dan ook niet tegen het betrokken verschil in behandeling.