Hof van Justitie
C-94/20
(Land Oberösterreich t. KV) Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2003/109/EG – Status van langdurig ingezeten derdelanders – Artikel 11 – Recht op gelijke behandeling wat de sociale zekerheid, sociale bijstand en sociale bescherming betreft – Afwijking van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van sociale bijstand en sociale bescherming – Begrip ‘belangrijkste prestaties’ – Richtlijn 2000/43/EG – Beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras en etnische afstamming – Artikel 2 – Begrip ‘discriminatie’ – Artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Regeling van een lidstaat waarbij de toekenning van een woonkostentoeslag aan langdurig ingezeten derdelanders afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat deze derdelanders op een door deze regeling bepaalde wijze aantonen dat zij over een basiskennis van de taal van die lidstaat beschikken

De zaak Land Oberösterreich t. KV betreft de uitlegging van artikel 11 van richtlijn 2003/109 van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna richtlijn 2003/109), van artikel 2 van richtlijn 2000/43 van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (hierna richtlijn 2000/43), en van artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese unie (hierna Handvest).

Het bodemgeschil gaat over een vordering tot vergoeding van de schade die KV zou hebben geleden wegens de weigering om hem een woonkostentoeslag toe te kennen. KV is een onderdaan met Turkse nationaliteit die sinds 1997 samen met zijn echtgenote en hun drie kinderen in Oostenrijk woont waar hij de status van langdurig ingezetene overeenkomstig richtlijn 2003/109 bezit. Tot eind 2017 ontving KV een woonkostentoeslag. Wegens een wetswijziging werd aan de toekenning van een woonkostentoeslag de voorwaarde verbonden om over basiskennis van het Duits te beschikken. Aangezien KV niet het vereiste bewijs had afgeleverd, werd het recht op de toeslag met ingang van 1 januari 2018 ontzegd. De vordering tot schadevergoeding die KV vervolgens had ingesteld werd door de rechter in eerste aanleg toegekend. De verwijzende rechter, zittend in hoger beroep, stelt hieromtrent volgende drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

In essentie wenst de verwijzende rechter of verschillende bepalingen van het EU-recht zich verzetten tegen regeling van een lidstaat op grond waarvan langdurig ingezeten derdelanders slechts in aanmerking komen voor een woontoeslag op voorwaarde dat zij op een door die regeling bepaalde wijze aantonen dat zij beschikken over een basiskennis van de taal van die lidstaat.

Ten eerste behandelt het Hof van Justitie de kwestie op basis van artikel 11, lid 4, van richtlijn 2003/109. Het komt er met name op neer voor het Hof van Justitie om na te gaan of de woonkostentoeslag een van de ‘belangrijkste prestaties’ is in de zin van artikel 11, lid 4, van richtlijn 2003/109. Deze bepaling stelt immers dat lidstaten, als het om sociale bijstand en sociale bescherming gaat, de gelijke behandeling van ‘langdurig ingezetenen’ beperken tot de belangrijkste prestaties. Lidstaten mogen de gelijke behandeling beperken, behalve voor de door de – landelijke, regionale of lokale – overheidsorganen toegekende presentaties op het gebied van sociale bijstand of sociale bescherming die ertoe bijdragen dat de betrokkene in zijn elementaire behoeften als voeding, huisvesting en gezondheid kan voorzien. Bovendien moeten de lidstaten daarbij de rechten eerbiedigen en de beginselen in acht nemen die zijn vastgelegd in het Handvest. Bijgevolg vormt een prestatie die bedoeld is om personen die niet over voldoende bestaansmiddelen beschikken in staat te stellen om in hun woonbehoefte te voorzien teneinde hun een menswaardig bestaan te waarborgen, een van de belangrijkste prestaties in de zin van artikel 11, lid 4, van richtlijn 2003/109. Wanneer het Hof van Justitie dit toepast in casu, lijkt op basis van de gegevens aangereikt door de verwijzende rechter, dat de woonkostentoeslag een prestatie vormt die bijdraagt tot de bestrijding van sociale uitsluiting en armoede, en die bestemd is om eenieder die niet over voldoende middelen beschikt een waardig bestaan te verzekeren zoals bedoeld in artikel 34, lid 3, van het Handvest. Het komt echter aan de verwijzende rechter toe om dit na te gaan, waarbij het doel van de woonkostentoeslag, de voorwaarden voor toekenning ervan en de plaats ervan in het nationale stelsel van sociale bijstand in aanmerking dienen te worden genomen.

Ten tweede behandelt het Hof van Justitie de kwestie op basis van richtlijn 2000/43. Het Hof van Justitie stelt echter dat een verschil in behandeling niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/43 valt, aangezien artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/43 bepaalt dat deze richtlijn niet van toepassing is op verschillen in behandeling die zijn gebaseerd op nationaliteit, en geen afbreuk doet aan de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders, noch aan enige behandeling die het gevolg is van de juridische status van de betrokken derdelanders.

Tot slot behandelt het Hof van Justitie de kwestie op basis van artikel 21 van het Handvest. Het Hof van Justitie maakt hier een onderscheid tussen het geval waar de woonkostentoeslag enerzijds wel en anderzijds niet als een van de belangrijkste prestaties in de zin van artikel 11, lid 4, van richtlijn 2003/109 kan worden aangemerkt. In het laatste geval zal het buiten de werkingssfeer van het Handvest vallen, gezien het Handvest slechts gericht is tot lidstaten wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen. Wanneer de woonkostentoeslag daarentegen wel kan aangemerkt worden als een van de belangrijkste prestaties, zal het Handvest van toepassing zijn. Echter, een bepaling, zoals in het onderhavige geval, die zonder onderscheid van toepassing is op alle derdelanders en waaruit niet blijkt dat zij personen van een bepaalde etnische afstamming benadeelt, kan niet worden beschouwd als discriminatie op grond van etnische afstamming in de zin van artikel 21 van het Handvest.