Hof van Justitie
C-112/20
(M. A. t. Belgische Staat) Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2008/115/EG – Artikel 5 – Terugkeerbesluit – Vader van een minderjarig kind dat Unieburger is – Inaanmerkingneming van het belang van het kind bij de vaststelling van het terugkeerbesluit

Het arrest M.A. gaat over de vraag of het belang van een kind in het kader van het aannemen van een terugkeerbesluit in overweging moet worden genomen wanneer het terugkeerbesluit slechts betrekking heeft op de ouder van het kind. Deze vraag rees in de context van het terugkeerbesluit aangenomen door de Belgische bevoegde autoriteit ten aanzien van M.A., aangezien deze persoon als een gevaar voor de openbare orde moest worden beschouwd. M.A. had echter een minderjarig kind met de Belgische nationaliteit. Als onderdeel van het cassatieberoep wierp de betrokkene derdelander op dat er geen rekening werd gehouden met het belang van het kind in het onderzoek. Het kwam dus aan het Hof van Justitie toe om na te gaan of artikel 5 Richtlijn 2008/115 inhoudt dat er moet worden rekening gehouden met het belang van het kind in overeenstemming met de artikelen 24 en 27 van het EU-Handvest voor er een met een inreisverbod gepaard gaand terugkeerbesluit wordt vastgesteld, ook al is het besluit niet gericht tegen een kind, maar tegen de vader van het kind.

Allereerst verwijst het Hof van Justitie naar de bijzondere situatie van M.A., aangezien hij een kind met de Belgische nationaliteit heeft. Daarom zou M.A. een verblijfsvergunning kunnen verkrijgen op grond van artikel 20 VWEU, wanneer het kind, bij gebreke van een verblijfsvergunning, gedwongen zou zijn om het grondgebied van de EU in zijn geheel te verlaten. In het maken van deze beoordeling moet er rekening worden gehouden met het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven en met het belang van het kind. Daarbij moet de afhankelijkheidsverhouding tussen de derdelander en het kind worden onderzocht, rekening houdend met alle betrokken omstandigheden, zoals de leeftijd van het kind, de lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van de affectieve relatie met de beide ouders en het risico voor het evenwicht van het kind indien het kind van de ouder zou worden gescheiden.

Vervolgens gaat het Hof van Justitie verder met het uitleggen van artikel 5 Richtlijn 2008/115. Daarbij is het van belang om eerst en vooral na te gaan of Richtlijn 2008/115 wel van toepassing. Dit is immers slechts het geval wanneer het gaat over een niet-geregulariseerd verblijf van de derdelander. Wanneer dit het geval is, bepaalt artikel 5 Richtlijn 2008/115 dat er bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn rekening moet worden gehouden met het belang van het kind. Artikel 5 is dus een bepaling van algemene aard en kan dus niet alleen toegepast worden wanneer het een terugkeerbesluit tegen een minderjarige betreft. Dit wordt verder ook ondersteund door de nagestreefde doelstelling van artikel 5, namelijk de grondrechten van kinderen beschermen, alsook door artikel 24 van het EU-Handvest. Daarin staat namelijk dat er bij alle handelingen in verband met kinderen het belang van het kind een essentiële overweging vormt, wat op zijn beurt wordt bevestigd door artikel 3, lid 1 van het internationale Verdrag inzake de rechten van het kind.

Rekening houdend met het voorgaande, komt het Hof van Justitie tot de conclusie dat, overeenkomstig artikel 5 Richtlijn 2008/115, lidstaten rekening moeten houden met het belang van het kind vooraleer zij een met een inreisverbod gepaard gaand terugkeerbesluit vaststellen, ook al is dit besluit niet gericht tegen een minderjarige, maar tegen de vader van deze minderjarige.