Hof van Justitie
C-380/18
(Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid t. E.P.) Prejudiciële verwijzing – Grenstoezicht, asiel en immigratie – Verordening (EU) 2016/399 – Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) – Artikel 6 – Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen – Begrip ,bedreiging van de openbare orde’ – Terugkeerbesluit tegen een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land

Op 12 december 2019 publiceerde het Hof van Justitie het oordeel in de zaak Staatssecretaris t. E.P.. De zaak betrof een derdelander die wegens kort verblijf in Nederland werd vrijgesteld van de visumplicht. Echter, tijdens het kort verblijf werd E.P. verdacht van een overtreding van de Nederlandse Opiumwet, waardoor hij door de bevoegde autoriteiten aanschouwd werd als een bedreiging voor de openbare orde. Ten gevolge van dit laatste werd E.P. meegedeeld dat hij niet langer voldeed aan de voorwaarde van artikel 6 lid 1(e) van de Schengengrenscode en werd hij verzocht het land te verlaten.

E.P. stelde beroep in tegen het besluit - wat gegrond werd verklaard en uiteindelijk werd vernietigd - waartegen de staatssecretaris vervolgens evenzeer beroep indiende bij de verwijzende rechter. Gelet op de rechtspraak van het Hof meende de verwijzende rechter weliswaar dat het niet duidelijk bleek daaruit in hoeverre het persoonlijk gedrag van E.P. een daadwerkelijk, actueel en voldoende ernstige bedreiging moet vormen om vast te stellen dat de persoon in kwestie een bedreiging vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 6 lid 1(e) Schengengrenscode. Gelet op het voorgaande, stelde de verwijzende rechter twee vragen aan het Hof. Vooreerst vraagt het Hof in of artikel 6 lid 1(e) Schengengrenscode dient uitgelegd te worden dat bij een vaststelling dat een derdelander een bedreiging vormt voor de openbare orde, dit gemotiveerd dient te worden aan de hand van de persoonlijke gedragingen van de persoon, die een daadwerkelijk, actueel en voldoende ernstige bedreiging moeten vormen. In zoverre dit niet hoeft, stelt het Hof de vraag in welke mate een derdelander kan beschouwd worden als een bedreiging voor de openbare orde louter door het feit dat de persoon verdacht wordt van plegen van criminele feiten.

Het Hof stelt vast dat de definiëring van openbare orde en veiligheid af te leiden valt uit vaststaande rechtspraak, uit de bewoording van de desbetreffende bepaling alsook uit de context en doelstelling (-en) van deze wetgevende bepaling. Bovendien, volgens een systematische interpretatie dient er evenzeer rekening gehouden te worden met de draagwijdte van deze begrippen binnen het kader van overige secundaire wetgeving, maar zijn de begrippen niet beperkt tot draagwijdte. Rekening houdend hiermee alsook een teleologische interpretatie van het begrip openbare orde en veiligheid, stelt het Hof vast dat er moet gekeken worden naar het opzet van de Schengengrenscode, vooral gelet op de intrinsieke verbondenheid van de Schengengrenscode met de Visumcode. Het Hof concludeert bijgevolg dat artikel 6 Schengengrenscode zich principieel niet verzet tegen een nationale maatregel volgens dewelke een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld, wanneer de derdelander die niet visumplichtig is wegens kort verblijf een bedreiging vormt voor de openbare orde en dit op grond van het louter verdacht worden van het plegen van criminele feiten.