Hof van Justitie
C-247/17
(Denis Raugevicius) Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Europese Unie – Artikelen 18 en 21 VWEU – Door een derde land aan een lidstaat gericht verzoek tot uitlevering van een Unieburger die onderdaan is van een andere lidstaat en die in eerstgenoemde lidstaat zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend – Verzoek dat is ingediend met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en niet met het oog op strafvervolging – Uitleveringsverbod dat alleen geldt voor eigen staatsburgers – Beperking van het vrije verkeer – Rechtvaardiging op grond van de voorkoming van straffeloosheid – Evenredigheid

Denis Raugevicius is een Litouws en Russisch staatsburger die een drugsdelict heeft gepleegd in Rusland, waarvoor aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar is opgelegd. Raugevicius verblijft in Finland. De Russische autoriteiten hebben daarom een internationaal aanhoudingsbevel tegen hem uitgevaardigd en de Finse autoriteiten verzocht om Raugevicius uit te leveren met het oog op de tenuitvoerlegging van zijn straf. Raugevicius heeft zich hiertegen verzet en voert aan dat hij reeds lange tijd in Finland woont en vader is van twee kinderen die de Finse nationaliteit bezitten. Het Finse ministerie van Justitie heeft de Korkein oikeus in Finland (de hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) verzocht om advies over de vraag of er juridische bezwaren zijn om Raugevicius uit te leveren. De Korkein oikeus heeft daarover vragen gesteld aan het Hof van Justitie en vraagt in het bijzonder om helderheid wat betreft de betekenis van het arrest Petruhhin (C-182/15) voor deze zaak. In dat arrest werd geoordeeld dat artikelen 18 en 21 VWEU van invloed kunnen zijn op de mogelijkheden voor een lidstaat om onderdanen van een andere lidstaat te kunnen uitleveren. Die zaak ging echter over een uitleveringsverzoek met het oog op strafvervolging, terwijl de voorliggende zaak de tenuitvoerlegging van een straf betreft.

Het Hof begint met de overweging dat de situatie van Raugevicius binnen de reikwijdte van het Unierecht valt, omdat hij als onderdaan van de Republiek Litouwen gebruik heeft gemaakt van het vrij verkeer door zich naar Finland te begeven. Voorts volgt uit het arrest Petruhhin dat de uitsluiting van EU burgers van een nationale maatregel die de uitlevering van Finse staatsburgers verbiedt leidt tot een onderscheid in behandeling tussen die staatsburgers en de onderdanen van andere lidstaten. Een dergelijke ongelijke behandeling is een beperking van het vrij verkeer in de zin van artikel 21 VWEU, die enkel kan worden gerechtvaardigd wanneer er sprake is van objectieve overwegingen van algemeen belang. De voorkoming van straffeloosheid van personen die een strafbaar feit hebben begaan wordt erkend als een dergelijke objectieve reden van algemeen belang, mits de maatregel noodzakelijk en evenredig is. In Petruhhin heeft het Hof overwogen dat de niet-uitlevering van eigen onderdanen wordt gecompenseerd door de mogelijkheid dat de zaak door de aangezochte lidstaat in plaats van door de vragende staat vervolgd wordt. Voor EU burgers uit andere lidstaten, daarentegen, beschikt de lidstaat van verblijf niet altijd over de benodigde jurisdictie voor een dergelijke vervolging. In casu gaat het echter niet om de strafvervolging, maar om de tenuitvoerlegging van een opgelegde straf. Het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983, waar zowel de lidstaten van de EU als de Russische Federatie partij van zijn, biedt een veroordeelde de mogelijkheid om te verzoeken om de opgelegde straf in zijn land van herkomst te ondergaan. De Republiek Finland geeft de eigen onderdanen de gelegenheid om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Dezelfde mogelijkheid wordt gegeven aan vreemdelingen met een vaste verblijfplaats in Finland ingevolge par. 3, tweede alinea van de wet betreffende de internationale samenwerking op het gebied van de tenuitvoerlegging van bepaalde strafrechtelijke sancties. Artikelen 18 en 21 VWEU vereisen dat de Finse regeling die verbiedt om eigen onderdanen uit te leveren aan landen buiten de Unie met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf en die voorziet in de mogelijkheid dat een gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd op zijn grondgebied eveneens wordt toegepast op onderdanen van andere lidstaten die permanent in Finland verblijven. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of EU burgers die permanent in Finland verblijven in de categorie ‘vreemdelingen met een vaste verblijfplaats’ geschaard kunnen worden, die onder dezelfde regeling vallen als Finse onderdanen. Als die vraag bevestigend beantwoord wordt dan is er geen strijd met het EU recht. Als Raugevicius aan die voorwaarden voldoet, dan kan hij niet uitgezet worden en mag hij zijn straf op Fins grondgebied uitzitten, mits hij daarmee instemt.