Hof van Justitie
C-412/17 en C-474/17
(Bundesrepublik Deutschland t. Touring Tours und Travel GmbH (C-412/17), Sociedad de Transportes SA (C-474/17)) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Verordening (EG) nr. 562/2006 – Communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) – Artikelen 20 en 21 – Afschaffing van het grenstoezicht aan de Schengenbinnengrenzen – Controles binnen het grondgebied van een lidstaat – Maatregelen met hetzelfde effect als grenscontroles – Regeling van een lidstaat op grond waarvan een touringcaronderneming die busverbindingen verzorgt waarbij Schengenbinnengrenzen worden overschreden verplicht is om de paspoorten en verblijfsvergunningen van de passagiers te controleren – Sanctie – Dreiging met oplegging van een dwangsom

Op 13 december 2018 velde het Hof van Justitie een arrest in de gevoegde zaken Bundesrepublik Deutschland t. Touring Tours and Travel en Sociedad de Transportes. Deze zaken betreffen twee touringcarondernemingen die regelmatig de Duits-Nederlandse en Duits-Belgische grens overschrijden. Volgens het Duits federaal presidium van politie werd tijdens deze reizen een groot aantal derdelanders zonder geldige reisdocumenten naar Duitsland vervoerd, hetgeen in strijd is met de Duitse wetgeving. Na de touringcarondernemingen een waarschuwing te sturen, werd er een verbodsbeschikking opgesteld op grond waarvan de touringcarondernemingen werden verplicht om derdelanders zonder geldige reisdocumenten de toegang tot Duitsland te verhinderen. Nadat de verbodsbeschikkingen in beroep werden nietig verklaard, kwam de zaak voor de verwijzende rechter, dewelke een prejudiciële vraag richtte tot het Hof van Justitie.

 

Het kwam dus aan het Hof van Justitie toe om uitspraak te doen over de vraag of een nationale maatregel op grond waarvan elke touringcaronderneming die grensoverschrijdende verbindingen verzekerd, verplicht is op straffe van een dwangsom om na te gaan of derdelanders over de nodige reisdocumenten beschikken voor een binnengrens wordt overschreden, in overeenstemming is met art. 67, lid 2, VWEU en artt. 20 en 21 verordening 562/2006. Het Hof van Justitie stelt dat het in casu gaat over controles binnen het grondgebied van een lidstaat, aangezien de controles gebeuren op het moment dat de passagiers in de bus plaatsnemen. Bijgevolg dient het Hof van Justitie de nationale maatregel te beoordelen op grond van art. 21 verordening 562/2006 en niet op grond van art. 20 verordening 562/2006 betreffende grenscontroles. Hoewel art. 21 verordening 562/2006 betrekking heeft op controles door politionele of gelijkgestelde instanties, is deze bepaling ook van toepassing op privaatrechtelijk tewerkgesteld personeel. De controles worden immers uitgevoerd op het gezag van en onder het toezicht van de politionele of gelijkgestelde instanties die over openbaar gezag beschikken. Anders oordelen zou bovendien het nuttig effect van art. 21 verordening 562/2006 in gevaar brengen.

 

Overeenkomstig art. 21, onder a), verordening 562/2006 mogen controles feitelijk niet hetzelfde effect hebben als grenscontroles rekening houdend met de opgesomde aanwijzingen in deze bepaling. Ten eerste mogen de controles niet het grenstoezicht tot doel hebben. Grenstoezicht zorgt er immers voor dat de zekerheid wordt verkregen dat de personen het grondgebied van de lidstaat mogen binnenkomen dan wel verlaten, en dat er wordt voorkomen dat personen zich aan deze controles onttrekken. Aangezien de controles in casu beogen na te gaan of er is voldaan aan de voorwaarden voor binnenkomst van de lidstaten van de Schengenruimte, dienen deze controles te worden gekwalificeerd als controles die gericht zijn op grenstoezicht. Ten tweede moeten de controles op algemene informatie en de ervaring van de politiediensten met betrekking tot mogelijke bedreigingen voor de openbare orde zijn gebaseerd. Ook dit is in casu niet het geval. De nationale maatregel schrijft immers een algemene verplichting voor die van toepassing is op alle grensoverschrijdende busverbindingen. Ten laatste moeten de controles duidelijk verschillen van systematische controles aan de buitengrenzen en ter plaatse worden uitgevoerd. Gelet op het stelselmatig uitvoeren van controles zonder verdere toelichtingen of beperkingen betreffende de frequentie, intensiteit en selectiviteit van de controles en dat de controles niet zijn uitgevoerd op basis van controles ter plaatse, is er ook sprake van deze laatste aanwijzingen.

 

Daarom komt het Hof van Justitie tot het besluit dat er in casu sprake is van een controle die moet worden gekwalificeerd als een maatregel met hetzelfde effect als grenscontrole, waarop art. 21, onder a), verordening 562/2006 een verbod stelt.