Hof van Justitie
C-441/19
(TQ t. Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Richtlijn 2008/115/EG – Gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven – Artikel 5, onder a), artikel 6, leden 1 en 4, artikel 8, lid 1, en artikel 10 – Terugkeerbesluit dat wordt uitgevaardigd tegen een niet-begeleide minderjarige – Belang van het kind – Verplichting voor de betrokken lidstaat om zich vóór de vaststelling van een terugkeerbesluit ervan te overtuigen dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer – Louter op de leeftijd van de minderjarige gebaseerd onderscheid voor de toekenning van een verblijfsrecht – Terugkeerbesluit waarop geen verwijderingsmaatregelen zijn gevolgd

De zaak Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Retour d’un mineur non accompagné) betrof een Guineese niet-begeleide minderjarige die Nederland is binnengekomen op 15-jarige leeftijd die een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd heeft ingediend. Dit verzoek werd afgewezen en resulteerde in een vertrekplicht van de minderjarige derdelander. De verwijzende rechter die in hoger beroep diende te oordelen, betwijfelde echter of het onderscheid tussen de behandelingen van verzoeken van minderjarigen jonger dan wel ouder dan 15 jaar in overeenstemming is met het EU-recht. Zo moet er voor minderjarigen onder de 15 jaar onderzocht worden of er adequate opvang is in het land van terugkeer. Indien dit niet het geval is, wordt de minderjarige een verblijfsvergunning regulier toegekend. Voor aanvragen van minderjarigen ouder dan 15 jaar vindt dergelijk onderzoek niet plaats, maar lijkt het erop dat het verblijf van de minderjarige gedoogd wordt tot de verzoeker de 18-jarige leeftijd heeft bereikt. Bijgevolg komt het aan het Hof van Justitie toe om na te gaan of een onderzoek naar de aanwezigheid en beschikbaarheid van adequate opvang in het land van herkomst verplicht is vooraleer een terugkeerplicht kan worden opgelegd aan een niet-begeleide minderjarige zonder dat hier een onderscheid mag gemaakt worden naargelang de leeftijd van de minderjarige.

Eerst en vooral ging het Hof van Justitie na of het verplicht is om de mogelijke opvang in het land van herkomst van de minderjarige te onderzoeken vooraleer er een terugkeerverplichting wordt opgelegd. Het is daarbij van belang dat niet-begeleide minderjarigen kwetsbare personen uitmaken waarbij overeenkomstig artikel 5, onder a), Richtlijn 2008/115 en artikel 24, lid 2, EU-Handvest rekening moet gehouden worden met het belang van het kind in alle fasen van de procedure. Hieruit volgt dat een algemene en grondige beoordeling van de situatie van de niet-begeleide minderjarige noodzakelijk is om te kunnen bepalen wat het ‘belang van het kind’ is. Daarbij moet er rekening gehouden worden met meerdere aspecten, zoals de leeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheid, de fysieke en mentale gezondheid, het verblijf in een pleeggezin, het opleidingsniveau en de sociale omgeving van de minderjarige. Er wordt echter wel een onderscheid gemaakt tussen de verplichtingen van de bevoegde autoriteiten voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd en voordat een minderjarige het grondgebied moet verlaten. Zo bepaalt artikel 10, lid 1, Richtlijn 2008/115 in het eerste geval dat er met gepaste aandacht voor het belang van het kind hulp wordt geboden. Daarnaast bepaalt artikel 10, lid 2, Richtlijn 2008/115 in het tweede geval dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat ervan moeten overtuigd zijn dat de niet-begeleide minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Ondanks dit onderscheid moet er rekening gehouden worden met het belang van het kind tijdens alle fasen van de procedure. Daarom kan het dus niet geoorloofd zijn om reeds een terugkeerverplichting op te leggen aan een minderjarige zonder een onderzoek naar de opvang van het kind in het land van terugkeer uit te voeren. Dit zou de minderjarige in grote onzekerheid brengen, wat in strijd is met het belang van het kind zoals neergelegd in artikel 5 Richtlijn 2008/115. Hieruit volgt vervolgens dat het onderscheid gemaakt door de Nederlandse wetgever tussen minderjarige onder dan wel boven de 15-jarige leeftijd niet in overeenstemming is met artikel 5 Richtlijn 2008/115. Hoewel leeftijd een van de aspecten in waarmee rekening wordt gehouden bij de beoordeling van het belang van het kind, is dit niet voldoende om uit te maken of er in het land van terugkeer adequate opvang is.

Tot slot bekijkt het Hof van Justitie of het gedoogbeleid om terugkeerverplichtingen ten aanzien van niet-begeleide minderjarigen niet uit te voeren tot deze minderjarigen de leeftijd van juridische meerderjarigheid hebben verkregen in overeenstemming is met het EU-recht. De doelstelling van Richtlijn 2008/115 is om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen. Zo moeten de lidstaten onderzoeken of niet-begeleide minderjarigen adequate opvang hebben in het land van terugkeer. Wanneer dit het geval is, moeten lidstaten deze minderjarigen uitwijzen behoudens wijzigingen in de situatie. Ook in de periode na het uitvaardigen van de terugkeerverplichting maar voor de verwijdering moet de lidstaat rekening houden met alle wijzigingen in de omstandigheden van de niet-begeleide minderjarige. Wanneer er een terugkeerplicht is uitgevaardigd, kan de lidstaat niet wachten om tot de verwijdering over te gaan wanneer aan de voorwaarden is voldaan. Daarom beslist het Hof van Justitie dat het Nederlands gedoogbeleid in strijd is met Richtlijn 2008/115.