Hof van Justitie
C-924/19 en C-925/19
(FMS e.a. t. Országos Idegenrendeszeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság and Országos Idegenrendeszeti Főigazgatóság) Prejudiciële verwijzing – Asiel- en immigratiebeleid – Richtlijn 2013/32/EU – Verzoek om internationale bescherming – Artikel 33, lid 2 – Niet-ontvankelijkheidsgronden – Artikel 40 – Volgende verzoeken – Artikel 43 – Grensprocedures – Richtlijn 2013/33/EU – Artikel 2, onder h), en artikelen 8 en 9 – Bewaring – Rechtmatigheid – Richtlijn 2008/115/EU – Artikel 13 – Doeltreffende rechtsmiddelen – Artikel 15 – Bewaring – Rechtmatigheid – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Beginsel van voorrang van het Unierecht

Op 14 mei 2020 sprak het Hof zich uit over de prejudiciële verwijzing in FMS e.a.,betreffende individuen van Afghaanse en Iraanse afkomst, wiens asielaanvragen als onontvankelijk werden verklaard bij aankomst in de Röszke transit zone in Hongarije. Bij de onontvankelijkheidsverklaring en de daarmee gepaarde terugkeerbesluiten, werd gevraagd aan de bevoegde Servische autoriteiten om de individuen terug te nemen op Servisch grondgebied, wat weliswaar geweigerd werd. Bijgevolg besloten de Hongaarse bevoegde instanties om de initiële terugkeerbesluiten aan te passen, en de landen van oorsprong te vernoemen in plaats van Servië als zijnde het land van terugkeer. Gedurende de gehele procedure, alsook de beroepen ingesteld tegen deze laatste aanpassingen van de terugkeerbesluiten, verbleven de verzoekers in de Röszke transit zone - aanvankelijk in het deel van de zone bestemd voor asielzoekers, en vervolgens in de zone voor derdelanders op wie een terugkeerbesluit van toepassing is.

Vooreerst stelde het Hof vast dat het vasthouden van de verzoekers in de Röszke transit zone, in lijn met verschillende Unie-rechtelijke richtlijnen, een detentiemaatregel is en bijgevolg een beperking van het recht op vrijheid van de desbetreffende personen. Hiermee gepaard, verduidelijkte het Hof een en ander omtrent de modaliteiten van dergelijke detentiemaatregelen, waaronder de toegestane duur van de detentie. De toegestane duur kan verschillen naargelang de persoon in kwestie wel dan niet een definitieve uitspraak heeft gekregen omtrent het asielverzoek en reeds een terugkeerbesluit heeft ontvangen. Bovendien, moet er juridisch beroep mogelijk te zijn tegen dergelijke detentiemaatregelen – ongeacht de status van de betrokken persoon.

Wat betreft het beroep tegen de terugkeerbesluiten, stelt het Hof dat in overeenstemming met artikel 13 Terugkeerrichtlijn, alsook artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, een persoon tegen wie een terugkeerbesluit werd uitgevaardigd, in de mogelijkheid moet gesteld worden om hiertegen juridisch beroep aan te tekenen. Een beroep bij de bevoegde dienst voor asielaanvragen, volstaat aldus het Hof, niet.