Hof van Justitie
C-18/16
(K. t. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) Prejudiciële verwijzing – Normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming – Richtlijn 2013/32/EU – Artikel 9 – Recht om gedurende de behandeling van het verzoek in een lidstaat te blijven – Richtlijn 2013/33/EU – Artikel 8, lid 3, eerste alinea, onder a) en b) – Bewaring – Verificatie van de identiteit of de nationaliteit – Verkrijging van de gegevens waarop het verzoek om internationale bescherming is gebaseerd – Geldigheid – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 6 en 52 – Beperking – Evenredigheid

In de zaak K. t. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie werd het Hof een tweede maal op korte tijd[1] gevraagd om uitlegging te geven over de draagwijdte van artikel 8 van Richtlijn 2013/33/EU[2], betreffende het in bewaring houden van een verzoeker voor asiel. De zaak betreft een derdelander die via de luchthaven in Schiphol op eenzelfde dag verder zou reizen naar Edinburgh (Verenigd Koninkrijk). Echter, bij paspoortcontrole bleek het onduidelijk of het gebruikte paspoort vervalst was of niet. De persoon in kwestie werd in voorlopige hechtenis genomen, maar dit werd  onmiddellijk ongedaan gemaakt door een bevel van “onmiddellijke vrijstelling”, genomen door de strafrechter op 15 december 2015. Volgend op de invrijheidstelling, heeft de verzoeker in het hoofdgeding een asielaanvraag ingediend, waarop hij vervolgens in bewaring werd gesteld op grond van artikel 59b, lid 1, onder a en b van de Vreemdelingenwet – wat de omzetting van artikel 8, lid 3, eerste alinea, punt a) en b) van Richtlijn 2013/33 – ten einde de identiteit van de persoon in kwestie vast te stellen en bijkomende informatie te bekomen om de gegrondheid van het asielverzoek na te gaan. Tegen deze maatregel van bewaring werd beroep ingediend door de verzoeker gelet op de vermeende onverenigbaarheid van de desbetreffende EU-rechtelijke bepaling (artikel 8, lid 3, eerste alinea, punt a) en b) van Richtlijn 2013/33) met het recht op vrijheid en veiligheid vervat in artikel 6 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

 

In de desbetreffende uitspraak benadrukt het Hof vooreerst dat de rechten vervat in het EVRM deel uitmaken van de algemene beginselen van Unierecht, maar dat het EVRM op zich, vooralsnog geen formeel instrument uitmaakt dat opgenomen is in de rechtsorde van de Unie.  Bijgevolg dient de interpretatie van artikel 8, lid 3, eerste alinea, punt a) en b) van Richtlijn 2013/33 louter te gebeuren aan de hand van het artikel 6 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.  Voorts legt het Hof uit, dat beperkingen van de rechten vervat in het Handvest, conform artikel 52, lid 1 van het Handvest dienen te gebeuren. Dit wil zeggen dat een beperking louter mogelijk is in zoverre dit de wezenlijke inhoud van het recht niet teniet doet (1); dergelijke beperking evenredig is met het nagestreefde doel (2); de beperking bovendien noodzakelijk is om het nagestreefde doel te realiseren (3); en dat de beperking daadwerkelijk beantwoordt aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang (4).

 

Hier rekening mee houdend, benadrukt het Hof, dat het realiseren van een goed functioneren van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel volgend uit artikel 78 VWEU, daadwerkelijk een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang is. Bovendien haalt het Hof aan dat een maatregel van bewaring op grond van artikel 8, lid 3, eerste alinea, punt a) en b) van Richtlijn 2013/33 geen afbreuk doet aan de essentie van artikel 6 van het Handvest, daar dit enkel in een streng omlijnd kader kan gebeuren, rekening houdend met de persoonlijke gedragingen van de verzoeker en in zeer uitzonderlijke omstandigheden.

 

Wat de evenredigheidstoets betreft, wordt verwezen door het Hof naar de noodzaak om de identiteit vast te stellen van de verzoeker, alsook het bekomen van relevante gegevens ten einde over de gegrondheid van het asielverzoek te beslissen, voornamelijk in het geval waar er risico bestaat dat de verzoeker zal onderduiken. Bijgevolg wijst het Hof erop dat artikel 8, lid 3, eerste alinea, punt a) en b) van Richtlijn 2013/33 niet verder gaat dan wat strikt noodzakelijk is voor het bekomen van de voornoemde doelstelling, rekening houdend in het bijzonder met de Dublin III Verordening[3].

 

Aangaande de noodzakelijkheidstoets, wordt opnieuw benadrukt dat de beperking op het recht van vrijheid door middel van een bewaringsmaatregel, zeer uitzonderlijk is en bijgevolg enkel binnen het streng omlijnd kader van artikel 8 van Richtlijn 2013/33 kan gebeuren. Bovendien benadrukt het Hof hier  dat een individu op geen enkel wijze in bewaring kan worden gesteld louter op grond van het aanvragen van asiel. Een maatregel van bewaring gegrond op punt a) en b) van de desbetreffende bepaling kan bijgevolg enkel in zoverre de persoon in kwestie niet op afdoende wijze zijn/haar identiteit heeft medegedeeld en in zoverre een risico tot onderduiking bestaat.

 

Gelet op de beperkingstoets opgenomen in artikel 52 lid 1 van het Handvest,  concludeert het Hof dan ook dat artikel 8, lid 3, eerste alinea, punt a) en b) van Richtlijn 2013/33, niet onverenigbaar is met artikel 6 van het Handvest.




[1] Zie ook: Arrest van 15 februari 2016, J. N. v Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, C- C-601/15 PPU, EU:C:2016:85.

[2] Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming, PB.L. 2013, afl. 180, blz. 96–116.

[3] Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, PB.L. 2013, afl. 180, blz. 31–59.