Hof van Justitie
C-199/19, C-136/19 en C-137/19
(B. M. M., B. S., B. M., B. M. O. t. Belgische Staat) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Immigratiebeleid – Recht op gezinshereniging – Richtlijn 2003/86/EG – Artikel 4, lid 1 – Begrip ,minderjarig kind’ – Artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Belangen van het kind – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Kinderen van de gezinshereniger die meerderjarig zijn geworden tijdens de beslissingsprocedure of de gerechtelijke procedure tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek om gezinshereniging

B.M.M. heeft de status van vluchteling in België en vroeg op 20 maart 2012 en op 9 december 2013 machtigingen tot verblijf met het oog op gezinshereniging aan voor zijn drie kinderen: B.S., M.M. en B.M.O.. De eerste aanvraag is afgewezen op 2 juli 2012. De tweede aanvraag werd afgewezen op 25 maart 2014 op grond van de omstandigheid dat de vermelde geboortedata niet overeenkwamen met de data die B.M.M. in zijn asielaanvraag vermeld had. Op 31 januari 2018 heeft de RvV de beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang. De RvV overwoog daartoe dat als het de weigeringen van de machtigingen tot verblijf nietig zou verklaren, de Belgische instanties de zaken opnieuw zouden behandelen en opnieuw af zouden wijzen, omdat alle kinderen inmiddels meerderjarig waren geworden.

 

In een zaak uit 2018 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat een derdelander die ten tijde van de indiending van zijn asielverzoek minderjarig is, voor de behandeling van dat asielverzoek als minderjarige behandeld moet worden, ook als hij gedurende de behandeling van zijn aanvraag meerderjarig is geworden (C-550/16 A en S EU:C:2018:248). De huidige zaak gaat over een gezinsherenigingsprocedure, waarop andere regels van toepassing zijn. De nationale rechter vraag daarom om opheldering over het tijdstip dat in acht genomen moet worden om te beoordelen of een kind als ‘minderjarige’ in de zin van de gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86) aangemerkt moet worden. De richtlijn laat het aan de lidstaten over om de wettelijke meerderjarigheidsleeftijd te bepalen, maar preciseert niet welk tijdstip als uitgangspunt moet worden genomen om te beoordelen of aan de leeftijdsvoorwaarde is voldaan. Het tijdstip van toetsing moet echter met het oog op de eenvormige toepassing van het Unierecht in de gehele Europese Unie autonoom en op dezelfde wijze worden uitgelegd. De interpretatie van het EU recht moet voorts rekening houden met de fundamentele rechten waarvan de Europese Unie de bescherming waarborgt. In die context moet in het bijzonder rekening worden gehouden met art. 7 Handvest dat het recht op familieleven beschermt, gelezen in samenhang met art. 24(2) en 24(3) die de verplichting opleggen om het belang van het kind te prioriteren en het kind het recht toekennen om regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders te kunnen onderhouden. Het uitgangspunt dat de leeftijd van het kind op het moment waarop de bevoegde instanties een besluit nemen over de aanvraag, doorslaggevend is strookt niet met het doel van de gezinsherenigingsrichtlijn om het gezinsleven in de EU te begunstigen, noch met de verplichtingen die voor de lidstaten voortvloeien uit de toepassing van het Handvest. Een andere conclusie zou de aanmoediging om de aanvragen van minderjarigen met urgentie te behandelen kunnen ondermijnen, omdat met de tijd de aanspraak op gezinshereniging zou komen te vervallen. In die omstandigheden kan de verplichting om het belang van het kind als essentiële overweging mee te wegen in het te nemen besluit niet worden gewaarborgd. Om te bepalen of is voldaan aan de leeftijdsvoorwaarde van art. 4(1) sub c van Richtlijn 2003/86 voor gezinshereniging met minderjarigen, is derhalve alleen de datum van indiening van het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging relevant.  

 

Ter volledigheid overweegt het Hof de rechtmatigheid van de niet-ontvankelijkheid van een verzoek tot nietigverklaring in de beroepsprocedure wegens het wegvallen van een belang bij de beroepszaak in het licht van het recht op een doeltreffende rechtsvoorziening dat in art. 18 van Richtlijn 2003/86 en art. 47 Handvest is neergelegd. Het Hof oordeelt dat voor zover de niet-ontvankelijkheid van de beroepsprocedure is gebaseerd op de veronderstelling dat het procesbelang van een kind wegvalt wanneer het meerderjarig is geworden, deze afwijzing in het licht van de eerdere overwegingen van dit arrest ten aanzien van de onjuistheid van die veronderstelling onterecht is. Bovendien, zo overweegt het Hof, kan een niet-ontvankelijkheidsverklaring van een beroep tegen een afwijzing van een verzoek om gezinshereniging sowieso niet worden gebaseerd op de vaststelling dat de betrokkenen geen belang meer zouden hebben bij een uitspraak. Een derdelander wiens verzoek om gezinshereniging is afgewezen kan namelijk ook nadat hij meerderjarig is geworden nog belang hebben bij een uitspraak ten gronde van de rechter waarbij het beroep tegen de afwijzing is ingesteld, zodat hij in voorkomend geval een vordering tot schadevergoeding tegen de betrokken lidstaat kan instellen.