Hof van Justitie
C-821/19
(Europese Commissie t. Hongarije) Beroep wegens niet-nakoming – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Asielbeleid – Richtlijnen 2013/32/EU en 2013/33/EU – Procedure voor de toekenning van internationale bescherming – Gronden voor niet-ontvankelijkheid – Begrippen ‚veilig derde land’ en ‚eerste land van asiel’ – Hulpverlening aan asielzoekers – Strafbaarstelling – Inreisverbod voor de grenszone van de betrokken lidstaat

Deze zaak betreft een beroep wegens niet-nakoming waarin de Europese Commissie het Hof van Justitie verzoekt om vast te stellen dat Hongarije niet heeft voldaan aan de verplichtingen voortvloeiend uit richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (hierna: “richtlijn 2013/32/EU”) en richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (hierna: “richtlijn 2013/33/EU”). In het bijzonder wijst de Commissie ten eerste naar de nieuwe grond voor niet-ontvankelijkheid van asielaanvragen die ingevoerd is door Hongarije naast die waarin richtlijn 2013/32 reeds uitdrukkelijk voorziet. Ten tweede wijst de Commissie naar het strafbaar stellen van de organisatorische activiteit die inhoudt dat de mogelijkheid wordt geboden aan personen om een asielprocedure in te leiden, hoewel zij strikt gezien niet aan de nationale criteria voor asiel voldoen. Eveneens het nemen van beperkende maatregelen ten aanzien van personen die voor dit strafbare feit worden vervolgd of daarvoor zijn veroordeeld, strookt volgens de Commissie niet met het EU-recht ter zake.

 

Eerst en vooral oordeelt het Hof van Justitie dat artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 een uitputtende opsomming geeft van de situaties waarin de lidstaten een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen. De grond voorzien in de Hongaarse asielwet, namelijk dat de verzoeker het grondgebied is binnengekomen via een staat waar hij niet aan vervolging of een risico op ernstige schade is blootgesteld of waar een toereikend beschermingsniveau wordt gewaarborgd, komt met geen enkele van deze gronden voor niet-ontvankelijkheid overeen. Bijgevolg concludeert het Hof dat Hongarije niet heeft voldaan aan de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32.

 

Vervolgens onderzoekt het Hof van Justitie het strafbaar stellen van de organisatorische activiteit die personen die volgens de in het Hongaarse recht vastgestelde criteria de vluchtelingenstatus niet kunnen verkrijgen, de mogelijkheid wil bieden om een asielprocedure in te leiden in licht van artikel 8, lid 2, artikel 12, lid 1, onder c) en artikel 22, lid 1, van richtlijn 2013/32 en artikel 10, lid 4, van richtlijn 2013/33. Deze bepalingen houden in dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat organisaties en personen die advies en counseling aanbieden aan verzoekers, daadwerkelijk toegang hebben tot verzoekers en de lidstaten de verzoekers het niet mogen onmogelijk maken om contact op te nemen met de UNHCR of met een andere organisatie die juridisch advies of andere counseling geeft, alsook het niet ontzeggen van het recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging in alle fasen van de procedure. Het Hof is van oordeel dat de invoering van dergelijke strafsancties ontegenzeglijk een zeer groot ontradend effect heeft. Dit heeft mogelijk tot gevolg dat personen die hulp willen verlenen aan derdelanders of staatlozen die in Hongarije de vluchtelingenstatus willen verkrijgen, ervan afzien dergelijke hulp te bieden. Volgens het Hof moet deze Hongaarse strafbepaling dan ook gezien worden als een beperking van de rechten die zijn neergelegd in voormelde bepalingen, die overigens ook vormgeven aan het recht dat is neergelegd in artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

 

Hieruit volgt dat het noodzakelijk was om verder te onderzoeken of de beperkingen gerechtvaardigd zijn in het licht van het EU-recht. De rechtvaardigingsgronden waarop Hongarije zich beroept zijn de bestrijding van hulp bij misbruik van de asielprocedure en hulp bij illegale immigratie door misleiding. Het Hof van Justitie is echter van mening dat de strafbepaling niet alleen dat soort gedragingen bestrijdt, maar alle hulp die in het kader van een organisatorische activiteit wordt verleend bij het doen of het indienen van een asielaanvraag, zelfs al voldoet deze hulp aan alle procedurele regels ter zake en is er geen intentie om de beslissingsautoriteit te misleiden over de grond van de zaak. Deze bepaling heeft immers een sterk ontradend effect op eenieder die in om het even welke hoedanigheid om het even welke hulp wil verlenen bij het doen of het indienen van een asielaanvraag, zelfs wanneer de hulp enkel is bedoeld om de derdelander of de staatloze in staat te stellen zijn grondrecht om asiel aan te vragen in een lidstaat uit te oefenen. Bijgevolg stelt het Hof van Justitie vast dat Hongarije niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen krachtens artikel 8, lid 2, en artikel 22, lid 1, van richtlijn 2013/32 en artikel 10, lid 4, van richtlijn 2013/33.