Hof van Justitie
C-806/18
(JZ) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders – Richtlijn 2008/115/EG – Artikel 11 – Inreisverbod – Onderdaan van een derde land jegens wie een dergelijk verbod is uitgevaardigd, maar die de betrokken lidstaat nooit heeft verlaten – Nationale regeling die het verblijf van deze onderdaan in die lidstaat terwijl hij kennis heeft van het jegens hem uitgevaardigde inreisverbod met een gevangenisstraf bedreigt

De zaak JZ betrof een derdelander die onderworpen was aan een beschikking op grond waarvan hij het grondgebied van Nederland onmiddellijk moet verlaten, hetgeen gepaard ging met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van vijf jaar. Twee jaar na deze beschikking werd echter vastgesteld dat de derdelander zich nog steeds in Nederland bevond in strijd met deze beschikking. Bijgevolg werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. De Hoge Raad der Nederlanden, oordelend in cassatie over dit beroep, merkte daarentegen op dat een inreisverbod, overeenkomstig het arrest Ouhrami (C-225/16, EU:C:2017:590), pas rechtsgevolgen ressorteert na het tijdstip van de daadwerkelijke terugkeer naar het land van herkomst of een ander derde land. De vraag die hieruit volgt, is of een derdelander kan worden vervolgd op grond van het inreisverbod wanneer deze nog niet daadwerkelijk is teruggekeerd. Bijgevolg komt het aan het Hof van Justitie toe om het arrest Ouhrami verder te verduidelijken.

Op grond van richtlijn 2008/115 wordt getracht een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen. Het is echter niet de bedoeling om de regels omtrent het verblijf van derdelanders te harmoniseren. Bijgevolg mag een EU-lidstaat het illegaal verblijf kwalificeren als een strafbaar feit waaraan strafrechtelijke sancties mogen worden verbonden. Desalniettemin mogen deze strafrechtelijke bepalingen niet het nuttig effect van richtlijn 2008/115 ontnemen. In beginsel kan een nationale wet een gevangenisstraf opleggen wanneer de ingestelde terugkeerprocedure overeenkomstig richtlijn 2008/115 is doorlopen, maar de derdelander het illegale verblijf voortzet. Wanneer dwangmaatregelen in het licht van art. 8 richtlijn 2008/115 nog niet zijn toegepast, zal het daarentegen niet in overeenstemming zijn met deze richtlijn om een gevangenisstraf te koppelen aan het illegaal verblijf.

Het terugkeerbesluit zal het illegale verblijf van de derdelander beheren tot het tijdstip van de vrijwillige of gedwongen uitvoering van de terugkeerverplichting. Het inreisverbod zal dus pas rechtsgevolgen ressorteren vanaf de derdelander het grondgebied ook daadwerkelijk heeft verlaten. Bijgevolg zal een derdelander zich bevinden in een illegale situatie die voortvloeit uit een oorspronkelijk illegaal verblijf en niet uit een later illegaal verblijf dat het gevolg is van een overtreding van een inreisverbod in de zin van art. 11 richtlijn 2008/115, zolang de derdelander het grondgebied niet heeft verlaten. De opgelegde terugkeerverplichting is immers nooit voldaan. Een bestraffing wegens schending van het inreisverbod zal dus niet mogelijk zijn, omdat dergelijke schending ontbreekt door het nooit verlaten van het grondgebied van de EU-lidstaat. Wanneer de EU-lidstaat het strafbaar gestelde gedrag de schending van de terugkeerverplichting betreft en wordt omschreven als het illegaal verblijf van een derdelander kan dit in overeenstemming zijn met richtlijn 2008/115 voor zover het niet verwijst naar de schending van het inreisverbod en de regeling voldoende toegankelijk en nauwkeurig is en de toepassing ervan voldoende voorzienbaar is, teneinde willekeur te voorkomen.