Hof van Justitie
C-564/18
(LH t. Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal) Prejudiciële verwijzing – Asielbeleid – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming – Richtlijn 2013/32/EU – Verzoek om internationale bescherming – Artikel 33, lid 2 – Gronden voor niet-ontvankelijkheid – Nationale regeling op grond waarvan het verzoek niet-ontvankelijk is wanneer de verzoeker in de betrokken lidstaat is aangekomen via een land waar hij niet aan vervolging of een risico op ernstige schade is blootgesteld of waar toereikende bescherming wordt geboden – Artikel 46 – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Rechterlijke toetsing van administratieve beslissingen inzake de ontvankelijkheid van verzoeken om internationale bescherming – Beslissingstermijn van acht dagen – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Op 19 maart 2020 oordeelde het Hof in de zaak LH. Deze zaak gaat over een Syrische staatsburger die in Hongarije een verzoek voor internationale bescherming heeft ingediend. Dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard, gepaard gaande met een terugkeerbesluit en een inreis- en verblijfsverbod voor 2 jaar. De niet-ontvankelijkheid was volgens de Hongaarse autoriteit het gevolg van het binnenkomen van LH in Hongarije via een staat waar hij niet aan vervolging of een risico op ernstige schade is blootgesteld, of waar een toereikend beschermingsniveau wordt gewaarborgd. De verwijzende rechter, waarbij het beroep tegen dit besluit werd ingediend, is echter van mening dat de ontvankelijkheidsgronden voor verzoeken om internationale bescherming voorzien in artikel 33, lid 2, Richtlijn 2013/32 uitputtend zijn en de Hongaarse wetgeving hiermee niet in overeenstemming is. Daarnaast vraagt de verwijzende rechter of de termijn van 8 dagen waarbinnen de nationale rechter uitspraak dient te doen over beroepen ingesteld tegen niet-ontvankelijke verzoeken om internationale bescherming in overeenstemming is met artikel 31, lid 2, Richtlijn 2013/32 en artikel 47 EU-Handvest.

Wat in de eerste plaats de niet-ontvankelijkheidsgronden van een verzoek om internationale bescherming betreft, is het Hof van oordeel dat de opgesomde niet-ontvankelijkheidsgronden van artikel 33, lid 2, Richtlijn 2013/32 een uitputtend karakter hebben, wat voortvloeit uit zowel de bewoording als het doel van deze bepaling. Volgens de Hongaarse overheid kan het binnenkomen via een een staat waar de verzoeker niet aan vervolging of een risico op ernstige schade in blootgeteld of via een staat waarin een toereikend niveau van bescherming wordt gewaarborgd als gronden voor niet-ontvankelijkheid onder de noemer van artikel 33, lid 2, onder c), Richtlijn 2013/32 worden gebracht. Deze bepaling bevat immers dat EU-lidstaten een verzoek als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen wanneer “een land dat geen lidstaat is, overeenkomstig artikel 38 (Richtlijn 2013/32) voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd”. Het Hof is echter van mening dat een EU-lidstaat zich alleen op deze bepaling kan beroepen wanneer voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden overeenkomstig artikel 38 Richtlijn 2013/32. Deze voorwaarden zijn echter niet vervuld, aangezien er niet voldaan is aan de inachtname van het beginsel van non-refoulement in het ‘veilige’ derde land oveernkomstig artikel 38, lid 1, Richtlijn 2013/32. Bovendien is de band tussen de verzoeker en het ‘veilige’ derde land louter toegekend omdat de verzoeker het derde land gebruikte als doorreisland, wat niet voldoende is overeenkomstig artikel 38, lid 2, Richtlijn 2013/32. Het Hof concludeert daarom dat de gronden opgeworpen door de Hongaarse overheid niet kunnen vallen onder de limitatief opgesomde niet-ontvankelijkheidsgronden van artikel 33, lid 2, Richtlijn 2013/32 en bijgevolg in strijd zijn met deze bepaling.

Wat in de tweede plaats de procestermijn van 8 dagen voor het behandelen van beroepen tegen niet-ontvankelijkheidsbesluiten van verzoeken om internationale bescherming betreft, bouwt het Hof verder op zijn rechtspraak in het arrest PG (C-406/18, EU:C:2020:216). Het bepalen van procestermijnen komt toe aan de EU-lidstaten volgens het beginsel van procedurele autonomie. Dit betekent niet dat er geen rekening dient te worden gehouden met het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel. Overeenkomstig het doeltreffendheidsbeginsel moet er tegen het besluit inzake het verzoek om internationale bescherming door een nationale rechterlijke instantie een beroep openstaan waarbij een volledig en ex nunc onderzoek kan worden uitgevoerd, zelfs in het geval van een niet-ontvankelijkheidsbesluit. Het Hof is immers van oordeel dat de nationale rechter moet nagaan in het kader van de niet-ontvankelijkheidsgrond voorzien in artikel 33, lid 2, onder c), Richtlijn 2013/32 of de verzoeker in het derde land wel voldoende bescherming geniet dan wel of het derde land in aanmerking kan komen als een veilig derde land. Bovendien moeten ook bepaalde procedurele voorwaarden in acht genomen worden bij een dergelijk onderzoek, zoals bijvoorbeeld het horen van de verzoeker in het bijzijn van een tolk. Een termijn van 8 dagen kan onvoldoende zijn om het recht op effectieve bescherming van personen die om internationale bescherming verzoeken te waarborgen. Wanneer de procestermijn niet voldoende is om de doeltreffendheid te verzekeren, dient de nationale rechter deze termijn buiten toepassing te laten en als richttermijn te beschouwen. Net zoals in het arrest PG, dient de nationale rechter wel zo spoedig mogelijk te beslissen wanneer de opgelegde termijn is overschreden.